Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

zondag 1 december 1996

Twee voor twaalf

Gary Kasparow is een van de wereldkampioenen schaken van dit moment. In zijn vrije tijd is hij daarnaast zakenman en visionnair. Als zakenman heeft hij eerst zijn naam verbonden aan een groot aantal schaakcomputers voor gebruik thuis. Vervolgens nam hij deel aan een tweekamp tegen de beste machine die er op dit moment is en verloor enkele partijen. Dit feit baarde veel opzien in de media en deed vervolgens de revenuen van Kasparows computers stijgen. Toen stond de visionnair Kasparow op en beweerde dat hijzelf de laatste menselijke wereldkampioen zou zijn. Binnen enkele jaren zou hij voorgoed verslagen worden en zou er nooit meer iemand opstaan die het kon winnen van de krachtige rekenaars die in de toekomst kunnen worden ingezet.

Voor mensen valt er dan volgens Kasparow nog weinig lol te beleven aan het schaakspel als topsport. Gelukkig heeft de kampioen ook hier al een oplossing voor bedacht, in de vorm van een nieuw spelletje: de menselijke schakers zouden zich tijdens de wedstrijd kunnen laten assisteren door een computer. De gedachte erachter is dat de combinatie van mens en machine altijd nog sterker zou zijn dan die van een machine alleen: de mens levert de creativiteit, de machine de brute rekenkracht.

Daar zit wat in, al hoeft dit nieuwe spel niet noodzakelijkerwijs het gewone schaken van man tegen man te doen verdwijnen: de hardloopmarathon is per slot van rekening ook niet gestaakt toen men met auto's begon te race'n. Maar desalniettemin lijkt dat nieuwe spel van Kasparow best interessant. Ik zou het idee zelfs graag uit willen breiden naar die andere tak van topdenksport, het spel Twee voor Twaalf.

De essentie van dit spel is dat twee teams van ieder twee kandidaten elk twaalf vragen dienen te beantwoorden over een groot aantal gebieden van menselijke kennis. Wanneer de algemene ontwikkeling ontoereikend is, mag een en ander worden opgezocht. In de versie van het spel dat op de televisie wordt uitgezonden, gebeurt dat opzoeken nog altijd in een aantal papieren encyclopedieen. Er staat wel een computer, maar daarop kunnen de kandidaten alleen de vragen naslaan. Wat de zin hiervan is, heb ik nooit goed begrepen. Mij lijkt het beter als daar een computer staat waarop ze ook de antwoorden kunnen vinden. Een computer die, kortom, is aangesloten op het Internet.

Jawel, zo kunt u nu tegenwerpen, jawel, maar een slimme kandidaat zet dan thuis een groep experts neer op allerlei gebied, die mee helpen zoeken en via elektronische post met de personen in de studio communiceren. Dit probleem kan echter heel gemakkelijk verholpen worden, namelijk door de kijker een duidelijke monitor te geven op de manier waarop de kandidaten zoeken. Elke beweging wordt getoond en communicatie met een thuisfront is dus tamelijk gemakkelijk uit te sluiten.

Een elektronische versie van het spel introduceert enkele interessante nieuwe elementen. Zo is het mogelijk dat op het Internet _foute_ antwoorden staan op de gestelde vragen. De kandidaten moeten bijvoorbeeld de naam van de huidige koningin van Zweden zien te vinden en via een zoekprogramma komen ze dan op de pagina van een waanzinnige Zweed die een hele pagina heeft gewijd aan zijn geliefde koningin Maria. De kandidaten zullen zo zin van onzin moeten zien te scheiden.

Ook kunnen bepaalde vormen van communicatie wel worden toegestaan. Zo zullen kandidaten de vragen mogen posten in de geeigende nieuwsgroepen, waar iedereen ze kan lezen en iedereen er antwoord op kan geven. Ook hier lopen de kandidaten weer de kans alleen een hoop troep te krijgen als antwoord, zonder dat a priori duidelijk is wie ze moeten geloven of niet.

De educatieve waarde van het televisieprogramma Twee voor Twaalf zal door deze relatief kleine ingreep enorm toenemen. Alleen zeer ervaren en goede Net-speurders zullen aan het spel deelnemen en vanwege de doorlopende monitor op alle zoekacties, zullen de kijkers kunnen profiteren van de manier waarop gezocht wordt. Op dit moment is de educatieve waarde wat dit betreft nihil: je ziet een man of vrouw vertwijfeld in een boek bladeren, maar welk boek dat is kom je vaak niet eens te weten. Goed leren zoeken op het Net is bovendien iets dat uitermate belangrijk gaat worden in de komende jaren. Er is nu al een ontstellende hoeveelheid informatie beschikbaar dat het voor miljoenen Nederlanders (en honderden miljoenen wereldburgers) van cruciaal belang wordt om goed te leren zoeken. Op school zullen ze het niet leren, want wie zou hen het moeten onderwijzen. Dus ligt hier een mooie taak voor de televisie. Als de Nederlandse publieke omroep het zakelijk instinct van Gary Kasparow had, waren ze er allang aan begonnen.

Zolang de omroep dit instinct nog niet heeft, zullen we ons moeten behelpen. Nu is het december, de kerstvakantie staat voor de deur. Tijd voor een puzzel. Tijd voor een prijsvraag. Hieronder vindt u twaalf vragen op het gebied van de Neerlandistiek. Het antwoord op al deze vragen is op dit moment op het Internet te vinden. Ik daag de lezers uit deze antwoorden op te sporen.

Een geldig antwoord in deze prijsvraag bestaat uit twee delen: het eigenlijke antwoord en een Internet-adres, waar dit antwoord gevonden kan worden. Beide delen zijn verplicht; parate kennis alleen is dus niet voldoende (maar wel nuttig). Internet-adressen moeten eruit zien als http://www.neder-l.nl/antwoord.html of gopher://gopher.neder-l.nl/antwoorden/antwoord.txt. Als extra eis op deze adressen geldt dat de desbetreffende pagina voor 1 december 1996 beschikbaar moet zijn; dat wil zeggen: het is niet toegestaan de antwoorden op een Web-pagina te zetten, deze on-line te plaatsen en vervolgens als antwoord te gebruiken.

Degene met de meeste goede antwoorden krijgt naar keuze een van de boeken Tongval, Effectief E-Mailen, Effectief Werken met Netscape of Effectief Web-Pagina's Maken, allen door het enig jurylid van deze prijsvraag in 1996 gepubliceerd. Indien er meerdere kandidaten zijn, zal worden geloot. Uiterste inzenddatum is 15 januari 1997. Adres: oostendo@euronet.nl
  1. Welke spelling is volgens het nieuwe Groene Boekje de juiste: bloes of blouse?
  2. Welke Franse dichtregel zou model hebben gestaan voor 'Onder de maan schuift de lange rivier?'
  3. Wat is het verschil tussen s-domination en c-domination volgens Chomsky?
  4. Welke Nederlandse taalkundige laat zich 'Lichtende God van de Taal' noemen?
  5. In welk dialect wordt op de volgende manier tot tien geteld:
    Ièèn, twièè, drieë, viere, vuuve, zesse, zeevne, achte, neegne, tiene.
  6. Wat is de oudste Middelnederlandse tekst waarin de duivel een lichamelijk gebrek vertoont?
  7. Wie is voorzitter van de wetenschapscommissie van het BBN?
  8. Wat is de titel van het proefschrift van Marijke Meijer Drees?
  9. In welk jaar verhuisde Willem Bilderdijk naar Haarlem?
  10. Welke drie soorten informatie worden opgenomen in de SignPhon-gegevensbank?
  11. Hoe heet de hoofdpersoon in J. van Ginnekens Roman van een Kleuter?
  12. Hoeveel literaire prijzen zijn er toegekend aan de schrijver A. Alberts?

vrijdag 1 november 1996

Haymarket

Tweeëneenhalf jaar geleden was ik voor het laatst te gast aan de Universiteit van Massachusetts. Net als nu woonde ik toen een paar maanden in Northampton. Een van de grootste genoegens werd destijds geboden door de 'Haymarket', een tweedehandsboekwinkel waar je ook koffie kon drinken. De sfeer was er op zijn minst informeel: meubilair en servies waren bij een opkoperij bij elkaar geraapt en de boeken waren voor een belangrijk deel marxistisch van inslag. Wie wilde kon de winkel binnenlopen, ergens gaan zitten, een boek van de planken pakken en lezen. Consumptie niet verplicht en als je een boek uit had kon je het ook weer terugzetten. Soms zaten er promovendi de hele dag achter hun laptop, die ze gratis aan het lichtnet konden aansluiten.

Helaas is er in die drie jaar een en ander veranderd. De Haymarket is geen boekwinkel meer. Althans, in naam verkoopt men er nog wel boeken, maar het aantal planken is tot het absolute minimum teruggebracht. Wat er staat lijkt weinig verkoopbaar en nodigt in ieder geval uit tot lezen. Nooit, nee nooit heb ik iemand een van die boeken zien pakken. De Haymarket is nu een koffiehuis met een paar boeken als decor.

Wie in een koffiehuis in Northampton nog iets anders wil doen dan praten, moet tegenwoordig bij JavaNet zijn, een Internet-café, waar je een latte kunt drinken achter een computer die op het Internet is aangesloten. Er staan vier grote Macintosh-computers op computertafels en er is één gemakkelijke stoel waarop een laptop is gemonteerd. Voor zes dollar per uur kun je van die computers gebruik maken, bijvoorbeeld om NRC Handelsblad te lezen. Die zes dollar worden overigens per minuut afgerekend: wie elke dag alleen een paar minuten zijn elektronische post komt lezen, betaalt die zes dollar misschien pas na een week.

Het is een merkwaardige gewaarwording dat je vanaf Brussel binnen acht uur naar Boston kunt vliegen, vervolgens een bus nemen die je ettelijke uren later diep in West Massachusetts afzet, om ten slotte in een koffiehuis neer te strijken waar de NRC, Teletekst, Neder-L en de elektronische berichten van Nederlandse vrienden je kunt lezen. In de Westerse wereld is het niet meer mogelijk ver weg van huis te gaan.

Overigens vallen al die genoegens vanzelfsprekend ook in de eigen woning te smaken. Internet-aansluitingen zijn hier zeer goedkoop en omdat je de lokale telefoonkosten per maand voor een paar dollar kunt afkopen, kun je hier zelfs als particulier voor dertig gulden per maand zonder extra kosten dag en nacht aan het Internet hangen.

Toevalligerwijs was ik vanuit Northampton drie jaar geleden getuige van de geboorte van De Digitale Stad, op dit moment de beste en meest levendige Nederlandstalige Internet-plaats ter wereld. Toen was de Stad nog niet op het Web te zien, alleen via Telnet. Voor de niet-kenners: er waren nog geen plaatjes, alleen letters. Wel kon je er de NRC al lezen en de Groene en er was een donker steegje waar informatie over drugs werden verstrekt. Nu ik hier weer ben, besef ik pas hoe sterk de Stad sindsdien gegroeid is. Toen was er één plein, en nu zijn er zeker twintig, waaronder een Boekenplein, een Homoplein, een Sportplein en een Plein van de Dood.

Alleen een Taalplein is er nog altijd niet. Wie zou er ook moeten zitten? Wilde visioenen doemen op van informatieplaatsen van de Taalunie, van het Genootschap Onze Taal, van de SDU -- uitgever van de Schrijfwijzer --, de verzamelde onderzoeksscholen van de taalwetenschappen en van Neder-L. Duizenden geïnteresseerden in binnen- en buitenland die elke dag deze Internet-plaatsen bezoeken, om te genieten van hun taal en van de inzichten die de taalkunde biedt. Van populair-wetenschappelijke rubrieken, van testjes, spelletjes. Nooit is het gelukt om in Nederland een serieus en langlopend televisieprogramma over taal van de grond te krijgen. Op het Web lukt het, met een eigen plein.

Ik wil best meebouwen aan zo'n plein, het mag duidelijk zijn. Of ik het nu vanuit een bureaustoel in Nederland moet doen of van achter een café latte in Northampton, Massachusetts. Als men mij toelaat, ben ik erbij.

zondag 1 september 1996

Stylesheets

Er bestaan geen uitvindingen die de mensheid alleen maar zegeningen hebben gebracht. De computer is een schrijnend voorbeeld. Voor de meeste onderzoekers is het moeilijk zich een werkdag voor te stellen zonder elektronische post, tekstverwerker of SPSS. Maar de introductie van dat apparaat heeft ook zijn duistere zijde. Die noemen wij de stylesheet.

Wie een wetenschappelijke publikatie schrijft of redigeert, krijgt op zekere dag van de uitgever een stapel aan elkaar geniette fotokopieen toegestuurd. Vaak zijn het kopieen van kopieën, grijs, vol donkere vlekken en tikfouten. Wie de moeite neemt ze te ontcijferen wordt getrakteerd op een moedeloos makende lijst instrukties aangaande het te gebruiken lettertype, de lettergrootte, de in acht te nemen marges en de juiste manier om kopjes en noten op de pagina te plaatsen. Menig duurbetaald uurtje gaat vervolgens heen met de verwerking van al die instrukties, die door een ervaren vormgever of zetter in een handomdraai zouden kunnen worden uitgevoerd. Ziedaar de zegeningen van de vooruitgang.

En dan te bedenken dat er allang een technologische oplossing bestaat, die van de markeringstalen. Deze oplossing bestaat eruit dat structuur en vorm van een tekst gescheiden worden. De auteru geeft in zijn tekst alleen de structuur aan. Een eenvoudige gestructureerde tekst in een fantasie-markeringssysteem ziet er bijvoorbeeld als volgt uit:

[Kop]Brand in Hotel[Einde Kop]
[Paragraaf]Vannacht is er brand uitgebroken in
Hotel [Naam]De Zwaan[Einde Naam]. Alle gasten en
de bewoners zijn veilig ontkomen.[Einde 
Paragraaf]

De gedeelten tussen vierkante haken zijn de structurende elementen.
Ze komen telkens in paren: één geeft het begin van een structuur
aan en de ander het eind ervan. 

Onafhankelijk hiervan kunnen we nu bepalen hoe elk structuur-element er uit moet zien: een kopje is groot en vet, een naam cursief, etc. Dit is inderdaad een style-sheet, maar deze wordt door de computer gelezen, niet door een mens.

Met dit systeem zijn teksten opeens herbruikbaar. Als ik een eerder geschreven artikel in een boek wil laten opnemen waarin namen niet cursief zijn, maar onderstreept, hoef ik niet meer de hele tekst langs op zoek naar alle namen. Ik verander de ene zin die zegt: namen zijn cursief, in een andere zin die zegt: namen zijn onderstreept.

Er zijn op dit moment meerdere van dit soort markeringssystemen in omloop. Ik ken er drie: TeX/LaTeX, SGML en HTML. Ze hebben alle drie hun eigenaardigheden. TeX (spreek uit: tech) is vooral nuttig voor wetenschappers die hun eigen opstellen willen vormgeven en uitdraaien. Het is zeer populair onder informatici, wis- en natuurkundigen en computertaalkundigen.

SGML is veruit het meest ambitieuze systeem van de drie, en het strengste. Zoals de naam al aangeeft -- Standard Generalized Mark-up Language -- heeft het aspiraties van algemene geldigheid. De rechtgeaarde SGML-er heeft als ideaal dat alle teksten overal ter wereld ooit in dit systeem zullen zijn gemarkeerd, zodat ze op elke willekeurige wijze kunnen worden afgedrukt op papier of weergegeven op een scherm. Een Esperanto van de tekststructuur.

HTML (HyperText Markup Language) is de taal die mij nachtmerries bezorgt. Het was oorspronkelijk een soort stylesheet SGML, speciaal bedoeld om teksten voor het World Wide Web weer te geven. In HTML is daarom minder mogelijk dan in SGML. Toch wordt ook in HTML nu gewerkt aan de introductie van stylesheets.

Aan markeringstalen is overigens nog altijd wel één bezwaar verbonden: ze moeten geleerd worden. Ook daar komt gelukkig snel verandering in. De meeste populaire tekstverwerkingsprogramma's hebben al een module die bestanden automatisch in SGML of HTML kan opslaan, of ze krijgen er binnenkort een.

Wanneer onze collega's computertaalkundigen hun beloftes inlossen, moet het op een dag ook niet meer nodig zijn zo'n tekstverwerker te leren bedienen omdat je je teksten aan een apparaat kunt dicteren dat vervolgens zelf de structuur van het artikel bepaalt. Wie ook maar even over de complexiteit van taal heeft nagedacht, weet dat die dag nog ver van ons is en buigt zich nogmaals zuchtend over zijn styleseheet.

woensdag 1 mei 1996

Van Oostroms Wereld

De afgelopen tien jaar is het stil geweest rond Frits van Oostrom. Het is een teken aan de wand voor de Nederlandse cultuur. Ware Frits een Duitser, een Fransoos of een Engelsman, er zou elk jaar een boek over hem verschijnen en elke vijf jaar een congres gehouden worden. Nu de zesentwintigste eeuw zijn einde nadert, hebben we het een decennium lang moeten doen met de -- weliswaar prachtige -- dissertatie van Martin Braga.

In dat proefschrift toonde Braga met een verbluffend eenvoudige methode aan dat het magnum opus van Van Oostrom, Maerlants Wereld, niet eerder dan in de laatste jaren van de twintigste eeuw verschenen kon zijn. Die methode behelsde niet veel meer dan een lexicale analyse. De woordenschat van Van Oostrom bevatte volgens Braga hier en daar een overduidelijke overeenkomst met de taal die in bestuurlijke kringen in precies die tijd opgeld deed. Zo telde Braga in het boek maar liefst vier maal de uitdrukking 'werkendeweg'; een term die rond het eind van de twintigste eeuw door een minister-president (Ruud van Lubbers) in het spraakgebruik ge"introduceerd was.

Hoe elegant en aantrekkelijk deze analyse ook was, er bleef een conceptueel bezwaar aan kleven. Deze staat sinds jaar en dag te boek als de 'materiaalkwestie' en heeft betrekking op de apparatuur die Van Oostrom blijkens zijn boek tijdens zijn werk gebruikte. Uit tal van bronnen blijkt dat aan het eind van de twintigste eeuw de computer al aan vrijwel alle onderzoeksinstituten in gebruik was en ook voor filologisch onderzoek benut werd. Op geen enkele plaats laat Van Oostrom echter merken dat hij zich van deze praktijk bewust is.

Ik geef een voorbeeld. De geleerde maakt op meerdere plaatsen in zijn boek omstandig melding van een index op de Spiegel Historiael. Hij schijnt het feit dat deze index bestaat als een zeer bijzonder gelukkige omstandigheid te beschouwen. Op een andere plaats staat hij al even uitvoerig stil bij het feit dat van ander werk van Jacob van Maerlant geen even goede index bestaat.

Aan het begin van de 21ste eeuw waren in ieder geval alle belangrijke middelnederlandse teksten -- ook die aan Van Maerlant werden toegeschreven -- online beschikbaar en kon binnen enkele minuten elke denkbare soort index over elke denkbare combinatie van teksten gegenereerd worden. Alles wijst erop dat aan het eind van de 20ste eeuw de technieken hiervoor al beschikbaar waren. Alleen de financi"ele middelen ontbraken. Het is ondenkbaar dat een intelligent en invloedrijk geleerde als Frits van Oostrom onder dergelijke omstandigheden niet al zijn aanzien en kontakten zou hebben aangewend om een goed elektronisch corpus aan te leggen en elke index die hij zich voor kon stellen, te laten aanmaken.

We hebben dus een paradox. Op basis van de materiaalkwestie komen we tot de conclusie dat Van Oostrom niet later geleefd kan hebben dan pakweg de eerste helft van de twintigste eeuw, toen er nog geen computers bestonden. Braga's analyse lijkt anderzijds uit te wijzen dat Van Oostrom wel degelijk aan het eind van die eeuw geleefd en gewerkt moet hebben.

In zijn briljante dissertatie Bekwaamheid Proeven oppert de jonge geleerde Vincent Beauvais nu een interessante nieuwe interpretatie van Braga's feiten, die de paradox moeten oplossen. Volgens Beauvais had Van Oostrom woorden als 'werkendeweg' niet van Van Lubbers overgenomen, zoals Braga aannam, maar was de relatie andersom: Van Oostrom was opgetreden als de leermeester van Van Lubbers in diens vroege jeugd.

Het boek Maerlants Wereld was geschreven met de toekomstige minister-president van Nederland als eerste publiek. Dat zou onder andere verklaren waarom de relatie tussen een schrijver-leraar en een toekomstig machthebber zo'n belangrijke rol speelt in het boek.

De eerder genoemde paradox is hiermee ook in een klap opgelost: Van Oostrom zou inderdaad geleefd kunnen hebben in het computerloze tijdperk, want het staat vast dat Van Lubbers in die tijd is opgegroeid. Tegelijkertijd zou de jonge premier een aantal taaleigenaardigheden van zijn leermeester hebben overgenomen, en deze tijdens zijn ambtsperiode in het algemeen spraakgebruik hebben geïntroduceerd.

De hypothese van Beauvais lijkt op een interessante manier een uitweg uit de paradox te bieden. Tegelijkertijd zitten er tal van haken en ogen aan, die niet onweersproken kunnen blijven. Het is te hopen dat de Van Oostrom-studie niet weer tien jaar hoeft te wachten op een nieuwe bijdrage aan deze interessante discussie.

maandag 1 april 1996

Auteursrecht

Begin tegen een neerlandicus over het Internet en binnen vijf minuten gaat het gesprek alleen nog over het auteursrecht. Je kunt de verbijsterende mogelijkheden van het nieuwe medium voor onderwijs en onderzoek uittellen, de zegeningen van onbeperkte communicatie opsommen zoveel je wilt, binnen een paar minuten roept je gesprekspartner 'Ja, maar hoe zit dat eigenlijk met het copyright,' en heb je het verder alleen over rechten.

Deze bijzondere belangstelling voor juridische kwesties is volgens mij een exclusieve hobby van geesteswetenschappers. Ik werk soms voor commerciële uitgeverijen die net als iedereen op het Wereldwijd Web voor Financiën, Nijverheid, Handel, Kunsten en Wetenschappen willen, maar nooit heb ik daar erg diepgaande discussies gevoerd over de theoretische mogelijkheid dat iemand alles van het Internet kopieert en onder eigen vlag gaat aanbieden. Dat is ook helemaal niet nodig: het auteursrecht werkt op het Internet niet speciaal anders dan elders op de wereld. En dingen van het Net kopiëren is niet gemakkelijker dan een geavanceerde kopieermachine bedienen.

Ook in andere wetenschapsgebieden is de angst om bestolen te worden lang niet zo groot. In een vakgebied als de medicijnen wordt bijna alles eerst door de auteurs op het Web geplaatst voordat het eventueel maanden later op papier verschijnt. Daarna moet het er dan -- onder druk van de uitgever van het tijdschrift -- worden verwijderd. Ondertussen schijnt alles wat echt actueel en van belang is wel on-line te vinden te zijn.

Nu liggen de belangen in de medicijnen wel wat anders dan in ons vak. In de eerste plaats is de publikatiestroom in dat vakgebied vele honderden, misschien zelfs duizenden malen groter dan in de taal- of letterkunde. Het is dus veel moeilijker en tegelijkertijd ook veel belangrijker om doorlopend op de hoogte te zijn van actuele ontwikkelingen. Een ander verschil is dat men in de medicijnen veel ontevredener is met uitgevers. Men heeft het gevoel dat de uitgevers van tijdschriften veel geld verdienen over de ruggen van de auteurs heen. Om de macht van die uitgevers te breken, gaat men op het Internet. In ons vak gelooft niemand dat men bij Martinus Nijhoff die nieuwe tijdschriften gaat uitgeven omdat men toe is aan een nieuwe villa. De onvrede is bij ons dan ook een stuk kleiner.

Toch zijn er vooral in de taalwetenschap wel vergelijkbare initiatieven te vinden. Het grootste archief van ongepubliceerde artikelen dat ik ken is het Rutgers Optimality Archive (ROA) dat wordt bijgehouden door Alan Prince van de Rutgers-universiteit. Zoals de naam al aangeeft, worden in dit archief alleen manuscripten opgeslagen die betrekking hebben op de zogenaamde 'optimaliteitstheorie', een theorie die door Prince in samenwerking met anderen ontwikkeld is en die met name binnen de fonologie de laatste jaren een verbazingwekkende opmars heeft gemaakt. Volgens mij is de goede informatie-infrastructuur niet onbelangrijk geweest in die opmars: via het archief kan iedereen met een Internet-aansluiting doorlopend de meest recente artikelen en proefschriften op dit gebied lezen en zijn eigen bijdragen aan de gemeenschap voorleggen (die vervolgens besproken worden in een discussiegroep via e-mail).

Een formeel toelatingscriterium is er niet. Degene die het artikel plaatst wordt geacht zelf de kwaliteit te waarborgen. Officieus geldt daarbij de regel dat het geschrevene van een dusdanige kwaliteit moet zijn dat men het collega's voor commentaar durft voor te leggen. Het hoeft dus nog niet echt publikabel te zijn in de meest strikte zin. Toch werken de principes van zelfbeperking tot nu toe tamelijk sterk en zijn de meeste bijdragen aan het archief van een zeer behoorlijk niveau. Een praktisch probleem is dat iedereen het bestand opstuurt zoals hij dat met zijn eigen tekstverwerker gemaakt heeft. De lezer moet dat bestand dan wel kunnen lezen en dat is niet altijd even eenvoudig.

Een ander experiment op het gebied van de taalwetenschap wordt georganiseerd door de redactie de LINGUIST list, het grote internationale tijdschrift via elektronische post. Die redactie kondigde eerder deze maand een interessant nieuw soort 'congres' aan. Potentiële deelnemers -- het congres zal handelen over Bindingstheorie, eevoudig gezegd de (generatieve) studie van de relaties tussen antecedent en anafoor binnen een zin -- sturen op de gebruikelijke manier een abstract op dat door een aantal vooraanstaande deskundigen op de gebruikelijke manier beoordeeld wordt. In september van dit jaar zijn er dan drie weken georganiseerd voor het eigenlijke congres. Deze zal bestaan uit een aparte rondzendlijst over e-mail. De 'sprekers' sturen eerst naar deze rondzendlijst een uitgeschreven versie van hun lezing toe en de overige deelnemers krijgen dan twee dagen de tijd om het te lezen. Vervolgens kan er via de elektronische post een paar dagen lang gediscussieerd worden naar aanleiding van elke bijdrage, en onder leiding van een deskundige voorzitter, die aan het eind van de week tot een soort conclusie probeert te komen.

Zoals gezegd wordt dit door de organisatoren een 'elektronisch congres' genoemd en een betere naam zou ik ook niet weten, maar met niet-elektronische congressen heeft het weinig te maken. Voordelen van een elektronisch congres zijn onder andere dat het veel goedkoper is (geen reis- en verblijfskosten voor de deelnemers, geen zaalhuur en koud buffet voor de organisatie) en dat bovendien de discussie in ieder geval in theorie beter gefundeerd kan zijn omdat iedereen de lezing rustig kan overlezen en bovendien zijn vragen en opmerkingen schriftelijk kan formuleren. Een nadeel is natuurlijk dat iedereen tijdens het congres gewoon thuis zit. Dat is wat minder gezellig, wat minder stimulerend en wat minder bevorderlijk voor het sociale leven. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat het elektronische congres het gewone congresleven zal vervangen. Eerder is hiermee een nieuw instrument voor wetenschappelijke discussie ontdekt.

Om tot slot dan nog maar eens op het auteursrecht terug te komen: de organisatoren melden in hun aankondiging ook als voordeel van hun congres dat de 'proceedings' doorlopend beschikbaar zullen zijn. De vraag rijst dan wel wat de relatie zal zijn tussen deze 'proceedings' en eventuele artikelen die hopelijk uit sommige lezingen zullen voorkomen. Als iemand een goed idee formuleert tijdens de elektronische discussie, hoe moet daar dan later naar verwezen worden? Gelden alle berichten die aan de discussie worden toegevoegd als publikaties? Het zijn boeiende vragen voor de gemiddelde geesteswetenschapper en ik hoop er dan ook te zijner tijd over te berichten.

vrijdag 1 maart 1996

De eerste keer

Bijna vier jaar geleden stuurde Ben Salemans het eerste nummer van Neder-L de wereld in. Aan het Internet viel voor de doorsnee neerlandicus op dat moment nog maar weinig plezier te beleven. Met de elektronische post konden sommigen misschien eens een bericht sturen naar een collega vijfentwintig kilometer verderop, en een enkeling had zelfs een abonnement op een van de Engelstalige verzendlijsten Humanist of Linguist. Maar meer was er niet. In andere takken van wetenschap, zoals de sterrenkunde of de deeltjesfysica, was uitwisseling van ongepubliceerde papers al gemeengoed. De Neerlandistiek en de meeste andere geesteswetenschappen staken daar op zijn zachtst gezegd schraal bij af. Veel geleerden wisten nauwelijks wat het Internet was.

De tijden zijn veranderd. Er zijn maar weinig mensen die niet op zijn minst een vage notie hebben van het begrip 'Internet'. Sterker nog, het begrip maakt onderdeel uit van een heus publiek debat. Iets meer dan een week geleden opende NRC Handelsblad zelfs voor het eerst in zijn geschiedenis met een artikel over het Internet, toen een onderzoeksbureautje het complete rapport Van Traa publiceerde en daarmee een monopolie van de SDU doorbrak. Deze publieke belangstelling heeft ook gevolgen voor ons vak. Overal duiken ineens initiatieven op die voor Neerlandici interessant zijn. Weliswaar worden de meeste van die initiatieven door geen enkele officiele instantie gesteund -- over die officiele instanties zijn regelmatig uitvoerige jammerklachten in deze rondzendlijst te lezen -- maar ze zijn er toch maar en ze zijn soms behoorlijk interessant.

De ellende van het Internet is alleen dat veel dingen zo moeilijk te vinden zijn. Er is geen centrale catalogus, er is geen bibliografisch apparaat. Er is niets om je aan vast te klampen. Het is daarom de bedoeling van deze nieuwe column in Neder-L om nieuwe initiatieven te signaleren en te bespreken. Neder-L had al een overzicht van de Îgewoneâ gedrukte tijdschriften. Vanaf nu heeft het ook een dergelijk overzicht voor elektronische publikaties. Niet alleen op het gebied van het Internet overigens -- als er ooit nog eens een CD-ROM uitkomt met de ANS erop, of met de verzamelde gedichten van de rederijkers, dan zal ik dat ook melden.

'Signaleren en bespreken', schreef ik zojuist. Dat zijn inderdaad twee verschillende werkwoorden en deze rubriek zal dan ook telkens uit twee delen bestaan. In het eerste deel bespreek ik een bepaalde interessante Internet-plaats in enig detail. Zoân plaats kan interessant zijn om de vorm, omdat het bepaalde mogelijkheden van het nieuwe medium voor de taal- en letterkunde demonstreert, of vanwege de inhoud. In het tweede deel van de rubriek geef ik een kort overzicht van nieuwe initiatieven op het Internet. Alle adressen die ik binnenkrijg en die een paar minimale toetsen van bereikbaarheid en relevantie doorstaan, worden in dit deel van de column opgenomen. Ik wil de lezers graag oproepen, nieuwe adressen aan me door te geven. Mijn e-mailadres is oostendo@euronet.nl. De volgende keer hoop ik dan al een uitgebreider Îsignalementâ te kunnen aanbieden.

Ik schrijf deze column op persoonlijke titel. Vorig jaar ben ik in Tilburg gepromoveerd op een onderwerp uit de fonologie en als AiO uit dienst getreden. Sindsdien ben ik Îop wachtgeldâ, zoals dat onderzoekers van mijn generatie betaamt. In de zomer van het vorig jaar ben ik begonnen met het Project Laurens Janszoon Coster in de Digitale Stad Amsterdam (http://www.dds.nl/~ljcoster). Helaas is dit particuliere initiatief nog steeds de grootste verzameling Nederlandstalige teksten tot +/- 1920 die op het Web te vinden is. Helaas zal het dat nog wel even blijven ook.

Voor individuele auteurs ontstaan er overigens hier en daar wel interessante andere projekten. Het best bedeeld is op dit moment ongetwijfeld Paul van Ostaijen. Het herdenkingsjaar is van verschillende kanten aangegrepen om het werk van de Antwerpenaar in elektronische vorm te brengen. Dat is niet zo vreemd, gezien het feit dat deze auteur tot de jongsten behoort van wie het werk rechtenvrij is. Bovendien was Van Ostaijen zelf natuurlijk geinteresseerd in typografische experimenten. Dan zijn er altijd mensen die willen proberen wat er van die experimenten overblijft op een beeldscherm.

De fraaiste pagina's tot nu toe gewijd aan een Nederlandstalige auteur, zijn dan ook in Antwerpen gemaakt. In het kader van het jublieumjaar ÎPaul Van Ostaijen 100â heeft de gemeente een groep jonge mensen de opdracht gegeven een elektronisch monument voor de dichter te bouwen. Inhoudelijk blijkt het meeste werk gedaan door de jonge onderzoeker Geert Buelens van de UIA. Het resultaat mag er zijn. Er is een omvangrijke selectie gegeven van Van Ostaijens eigen werk, zowel de poezie als het verhalend en het kritisch en autobiografisch proza. Daarnaast is er ook veel kritische reflectie te vinden op het werk door een groot aantal auteurs, van Du Perron tot Erik Spinoy. Buelens zelf heeft bovendien een korte biografische schets geschreven.

'Paul Van Ostaijen 100â is al met al een voorlopige model-editie geworden, het beste en het mooiste wat er in het Nederlandstalig taalgebied te vinden is. Een probleem hierbij is wel dat een en ander misschien iets _te_ mooi is gemaakt. De computer wordt daardoor wel behoorlijk traag. Ik heb herhaalde malen kontakt gezocht, maar meestal moest ik het kontakt na een tijdje zelf verbreken zonder erg veel inhoud gezien te hebben, gewoon omdat het me allemaal te lang duurde.

Een alternatief is dan om Van Ostaijen van een diskette te lezen. De nieuwe Amsterdamse uitgeverij Album legt zich geheel toe op elektronische uitgaven. Eerder kwam ze met een elektronische roman van de schrijver en journalist G.J. van Schoonhoven en nu heeft ze dus een diskette ÎPaul van Ostaijen Elektries' uitgebracht. De diskette bevat vrijwel al het dichtwerk en een kleine selectie uit het proza. Deze diskette ziet er zeer fraai en verzorgd uit. Typograaf Piet Boddaert heeft speciaal een letter ontworpen die beter leesbaar is op een beeldscherm en de opgenomen gedichten uit Bezette Stad zijn zelfs omgezet in amusante animaties.

Inhoudelijk is de diskette helaas wat minder sterk. Hij bevat alleen de teksten, in een beetje onduidelijke editie en zelfs met een paar storende fouten. Er is geen achtergrondinformatie, er zijn geen noten of verwijzingen naar andere literatuur. Het is tamelijk lastig om in de teksten te zoeken wat je vindt of zelfs van een gedicht uit de ene bundel direkt door te gaan naar een gedicht in een andere bundel of zelfs verderop in dezelfde bundel. Bovendien zijn alle teksten omgezet in een ongenaakbaar formaat. De teksten die men in Antwerpen op het Internet heeft geplaatst, kan de onderzoeker probleemloos binnenhalen en dan eventueel omzetten naar WordPerfect of een andere tekstverwerker, om er bijvoorbeeld zijn eigen zoekfunctie op toe te passen. In het geval van deze diskette is dat helaas onmogelijk. De uitgeverij Album lijkt met de diskette vooral een algemeen lezerspubliek voor ogen gehad te hebben, die de teksten alleen een keer voor zijn plezier van het beeldscherm wil lezen. Er valt alleen passief te consumeren.

Ook de Antwerpse site lijkt overigens als eerste bedoeling te hebben de dichter aan een groter publiek te interesseren. Dat hebben de twee initiatieven dus met elkaar gemeen. Voor de literatuurwetenschapper is er misschien nog steeds weinig georganiseerd op het Web – maar voor de liefhebber valt er in ieder geval al wel genoeg plezier te beleven.