Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

zaterdag 6 december 1997

Kerstprijsvraag 1997

Vorig jaar organiseerde ik in Neder-L een kleine prijsvraag om uw elektronische geletterdheid te testen. Op het gebied van de neerlandistiek was al veel informatie op Internet te vinden; het leek me aardig om eens te zien in hoeverre de lezers van Neder-L die informatie ook daadwerkelijk konden opsporen.

We zijn nu een jaar verder. Neder-L heeft in dit jaar een eigen website gekregen, die steeds beter bezocht wordt. Ook allerlei andere (private en commerciële) instellingen zijn op het web gekomen. Alleen de overheid (de Taalunie) en de meeste universitaire vakgroepen willen er kennelijk nog steeds niet echt aan. Veel actuele serieuze wetenschappelijke informatie heb ik ook dit jaar niet kunnen vinden op de universitaire servers bij de voorbereiding van de prijsvraag.

Want ook dit jaar is hij er weer, het licht van uw kerstvakantie. Hieronder vindt u twaalf vragen. Het is de bedoeling dat u elk van deze vragen beantwoordt, en bovendien bij elk antwoord de juiste vindplaats op Internet vermeldt. Dit antwoord dient in ieder geval de vorm te hebben van een zo volledig mogelijk Internet-adres, zoals http://www.neder-l.nl/index.html. Een enkele keer wilt u misschien een on-line database raadplegen, zodat het precieze adres niet te achterhalen is. In dat geval dient u zo duidelijk mogelijk de gevolgde stappen te beschrijven. Sowieso worden uitgebreide beschrijvingen van gebruikte zoekmethoden zeer op prijs gesteld.

De Internet-adressen moeten op 1 december 1997 opvraagbaar geweest zijn (het is niet toegestaan zelf een antwoord op Internet te publiceren en daar dan naar te verwijzen). Redacteuren van Neder-L, alsmede hun familie, schoonfamilie, en geadopteerde Friese dochters, zijn uitgesloten van deelname. Inzendingen dienen voor 15 januari 1997 verstuurd te worden aan oostendorp@rullet.leidenuniv.nl.

De prijs is dit jaar wel bijzonder begerenswaardig, en bestaat uit een originele koffiemok met het logo van Neder-L. Van deze mok bestaan op de hele wereld slechts zes exemplaren. Hiervan worden er vijf gebruikt door de redacteuren van Neder-L bij hun moeilijke werk. De zesde kunt u winnen door de onderstaande vragen goed te beantwoorden. (Bij meerdere gelijkwaardige kandidaten wordt geloot.)

Marc van Oostendorp,
oostendorp@rullet.leidenuniv.nl


  1. Welke prijs heeft de schrijver Abdelkader Benali onlangs gewonnen voor zijn boek Bruiloft aan zee?
  2. Wat was het onderwerp van de lezing die Marijke van der Wal hield op 3 mei 1995 aan de Universiteit van Pisa?
  3. Wat betekent het zelfstandig naamwoord 'curare'?
  4. Hoeveel bedraagt de contributie voor een buitengewoon lid van de IVN?
  5. In welk(e) Nederlands(e) dialect(en) is 'intercliticisatie' als in (i) toegestaan?(i) Hoeveel rekendiede daar nou voor? (=Hoeveel rekende die daar nu voor?)
  6. Wat is het e-mailadres van Jan-Wouter Zwart?
  7. Noem drie romans van W.F. Hermans die in het Duits zijn vertaald.
  8. Hoe heet het gedeelte van het orgel dat zich in de onderbouw van de orgelkast bevindt en dat zachter klinkt dan de andere werken/klavieren van het orgel?
  9. Wie heeft model gestaan voor de romanfiguur Henk Wigbold in de romancyclus van Voskuil?
  10. Veel varianten van het Nederlands kennen een regel van woordfinale t-deletie ('kas' in plaats van 'kast'). Hoe zit dit met het Petjo?
  11. In welk jaar schreef Constantijn Huygens de volgende regels: Wel voeld' ick vander jeughd daer was een dieper grond
    Die mij aen Tesselscha oorspronckelick verbond:
    Wel tuyghde mij mijn hert, daer was wat meer als Sterren
    Dat hem in Tesselschaes de'e twijnen en verwerren.

  12. In welk jaar gebruikte Anna Barbara van Meerten-Schiperoort voor het laatst de lunch in haar tuin in Gouda?


















zaterdag 15 november 1997

Uit het getto

Het verzamelde oorspronkelijke werk van Lejzer Zamenhof, negentiende-eeuws oogarts en amateurtaalkundige te Warschau en auteur van de eerste grammatica van het Esperanto, beslaat drie omvangrijke delen. Een briljant schrijver was hij niet, maar ik kan die boeken niet zonder ontroering lezen.

Uiteraard hebben esperantisten in de afgelopen eeuw meerdere biografieën over hun voorganger gepubliceerd, maar helaas zijn deze meestal niet leesbaar, al was het maar vanwege hun hagiografische toon. 'Ludoviko' -- joden namen in het Russische rijk van die tijd meestal een 'christelijke' voornaam aan met dezelfde voorletter als hun echte naam -- besteedde zijn hele leven en al zijn energie aan het lot van de mensheid, totdat zijn arme hart het in 1917 begaf omdat hij niet kon aanzien wat zijn broeders en zusters elkaar in Europa allemaal aandeden.

Zo was het natuurlijk niet. Uit zijn eigen brieven blijkt dat hij bij tijd en wijle behoorlijk koppig was, eigenwijs en argwanend, en dat hij niet snel iets uit handen gaf. Zodra er bijvoorbeeld plannen waren om te komen tot een vereniging of een andere organisatiestructuur, begon Zamenhof elke keer zeer uitgebreide plannen en statuten te bedenken. Hij vond dat die plannen altijd in hun geheel moesten worden aangenomen, anders hoefde het voor hem niet meer, maar die plannen waren vaak niet erg praktisch en vooral te hoog gegrepen, omdat ze bijvoorbeeld gebaseerd waren op de gedachte dat er honderdduizenden mensen lid zouden worden.

Interessant is de vraag wat Zamenhof eigenlijk met zijn taal wilde bereiken. Ik geloof dat zijn voornaamste inspiratie anders was dan het 'officiële' standpunt -- dat het veel joodser was dan de meeste geleerden aannemen.

Een sleutel daarvoor ligt bij het godsdienstige project waaraan hij ook een groot aantal jaren gewerkt heeft. Hij wilde een 'neutraal-menselijke' godsdienst beginnen die een compromis zou zijn tussen de verschillende monotheïstische godsdiensten, met name het christendom en het jodendom. Uit circulaires die hij over dit project verstuurde naar joodse vrienden, blijkt dat hij daarvoor de meeste heil zag in een soort 'verbeterd jodendom'. De dogma's van het Christendom vond hij uiteraard onacceptabel en -- zo lijkt het soms -- zelfs een beetje belachelijk. Aan de andere kant dacht hij dat christenen belemmerd zouden worden in een overgang naar het jodendom door de enorm ingewikkelde leefregels die de laatste godsdienst nu eenmaal impliceert, en door het 'erfelijke' aspect van het jodendom. Een verbeterd soort jodendom zou al die gedetailleerde regels afschaffen en bovendien ontdaan zijn van zijn etnische afhankelijkheid.

Uit soortgelijke stukken blijkt dat zijn taalpolitieke opvattingen min of meer dezelfde waren. De joden in Oost-Europa hadden geen eigen taal -- Zamenhof vond het Jiddisch vooral een soort verbasterd Duits. Ze moesten daarom altijd een taal gebruiken (Duits, Russisch, Pools) van een bevolkingsgroep die op zijn minst antisemitisch was. Het Esperanto kon zo'n eigen taal worden voor de joden in alle talen van de wereld; een taal die bovendien als voordeel had dat alle andere (Westerse) mensen hem ook makkelijk konden leren als ze deel wilden hebben aan een wereldomspannende cultuur. Als het getto de aantrekkelijkste buurt van de stad wordt, houdt het snel op een getto te zijn.

De politieke artikelen die Zamenhof hierover schreef zijn achteraf hartverscheurend. Zo beargumenteert hij ergens dat er een joodse staat moet komen op Amerikaanse grond, met het Esperanto als officiële taal. Elke andere keuze is onrealistisch en te utopisch, zegt hij. Het is ondenkbaar dat de internationale gemeenschap ooit een joodse staat op Palestijnse bodem zou toestaan, en het is ook ondenkbaar dat het Hebreeuws -- een dode taal die niemand meer echt spreekt en die bovendien geen woorden kent voor moderniteiten zoals de trein en de stoommachine -- ooit nog als alledaagse taal kan gelden. Terwijl je in Amerika in die tijd nog gewoon land kon kopen en het Esperanto, zij het op bescheiden schaal, leefde.

Het is anders gelopen, maar dat had Zamenhof alleen kunnen voorzien als hij had geweten hoe catastrofaal de twintigste eeuw zou verlopen. Het is wel erg cynisch om iemand naïef te noemen die in 1903 niet voorzag hoe het getto van Warschau er een paar decennia later uit zou zien.

Het is waar dat er van Zamenofs dromen vooralsnog weinig terecht gekomen is. In 1887, toen zijn eerste boek uitkwam, schijnt hij echt een tijdje gedacht te hebben dat hij binnen een jaar tien miljoen mensen voor zijn taal bij elkaar zou krijgen en dat de hele kwestie bij wijze van spreken aan het begin van deze eeuw geregeld zou zijn. Aan de andere kant vraag ik me wel eens af hoe ongelukkig hij eigenlijk geweest zou zijn met de huidige positie van het Engels -- toch ook een soort oplossing van het wereldtaalprobleem, zij het niet de eerlijkst denkbare.

Toch bestaat de Esperantobeweging nog steeds, zijn er nog steeds enkele honderdduizenden sprekers, waaronder zelfs een paar duizend moedertaalsprekers. Er zijn talen bestudeerd die veel minder sprekers hadden. Het idee dat er een rationelere en rechtvaardigere oplossing moet zijn voor de interetnische taalproblematiek dan het botweg accepteren van de status quo is nog steeds niet verdwenen. In Nederland heeft de beweging zijn grootste bloei gekend in de jaren dertig, op de vleugelen van het pacifisme, het vegetarisme en de sociaal-democratie. Dat heeft het imago geen goed gedaan. (Veel Nederlanders denken meteen aan Werther Nieland, wiens vader een bordje met Esperanto Parolata naast de deur had hangen. Dat detail gebruikt Reve vooral om de uitzichtloze treurigheid van het milieu te illustreren.)

Het Esperanto is taalkundig om meerdere redenen interessant -- hoe kan een 'bedachte' taal als moedertaal fungeren? hoe leren mensen zo'n taal als tweede taal? is het echt makkelijker om zo'n taal te leren? -- en heeft menselijk en ideologisch een respectabele geschiedenis. Sinds kort mag ik die taal een dag per week bestuderen aan de Universiteit van Amsterdam. Daar ben ik trots op.

Marc van Oostendorp oostendorp@rullet.leidenuniv.nl

[Noot van Ben Salemans, redacteur Neder-L: Marc van Oostendorp is op 1 november 1997 in dienst getreden als bijzonder hoogleraar Interlinguïstiek en Esperanto bij de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam.]










zaterdag 13 september 1997

Zondagmorgen

's Zondags slaapt mijn vrouw uit. Ik maak dan een grote kop koffie verkeerd, smeer een volkorenboterham met kaas, en zet de computer van mijn vrouw aan. Zij is grafisch vormgever met haar bedrijf aan huis en daarom heeft ze zo'n mooi groot beeldscherm, waarop ik zondagmorgen altijd een paar internationale nieuwsbronnen lees. 'Surfen' is al een tijdlang niet meer het juiste woord voor wat ik dan doe -- ik weet precies welke weblocaties ik opzoek. In plaats daarvan snuffel ik en lees.

Op de weblocatie van de Amerikaanse Library of Congress bijvoorbeeld. Sinds een paar weken is dit een de web-sites die ik steevast bezoek (samen met de goeie ouwe Linguist List en Neder-L natuurlijk). Ik raak er niet uitgekeken. Wat een schat aan informatie.

Je kunt er online op allerlei manieren zoeken in de catalogi van de bibliotheek van het Amerikaanse parlement - waar tientallen miljoenen titels uit de gehele wereld te vinden zijn. Je kunt er bovendien tal van andere naslagwerken naslaan met informatie over onder andere de Amerikaanse overheid, het bibliotheekwezen, auteursrechten over de hele wereld, en veel en veel meer.

Bovendien valt elke wet die op dit moment onder behandeling is bij de Amerikaanse Eerste of Tweede Kamer hier na te slaan en in te zien. En bovenal zijn er enkele indrukwekkende elektronische tentoonstellingen ingericht: over 'African-American culture', over '1492', over de bibliotheek van het Vatikaan, over Frank Lloyd Wright, over het vrouwenkiesrecht, panoramische landkaarten en over nog enkele tientallen andere onderwerpen. Elke tentoonstelling bevat een groot aantal transcripties van historische documenten, verklarende teksten en afbeeldingen, geluidsfragmenten en video's. Alles is even fraai opgemaakt, alles is even helder gepresenteerd. Wie wil weten wat een Internet-presentatie voor historisch materiaal kan doen, moet de Library of Congress bezoeken.

Wat is Amerika toch een mooi land. Op deze ene weblocatie van de Library of Congress staat meer informatie dan op alle websites van alle Nederlandse bibliotheken en overheidsinstellingen bij elkaar. Natuurlijk: de Koninklijke Bibliotheek is ook mooi. Maar in Amerika blijf je kijken. En wat is het toch prachtig dat je dat allemaal aan de ontbijttafel kunt raadplegen. Op zondagmorgen verloopt de verbinding ook nog eens goed en snel. Maak een koffie verkeerd. Smeer een volkorenboterham. En geniet.

Library of Congress: http://lcweb.loc.gov/
Linguist List: http://www.linguistlist.org/

Marc van Oostendorp




dinsdag 8 juli 1997

Analytische fonologie

Nederlanders hebben een onverzadigbare belangstelling voor hun moedertaal. Een andere conclusie valt niet te trekken voor degene die zelfs maar met een schuin oog de Internet-discussiegroep nl.taal volgt. Vooral de fonologie mocht zich de afgelopen weken in een overstelpende belangstelling verheugen, sinds er iemand was die een nieuwe 'fonologische' spelling voorstelde. Internet-gebruikers stortten zich naar aanleiding hiervan in een eindeloze discussie over stemhebbendheid, de fonologie versus de fonetiek van diftongen, de representatie van de sjwa en de velare nasaal. Ongeveer alle onderwerpen uit de gemiddelde inleiding in de fonologie kwamen aan de orde, al was het maar omdat Peter-Arno Coppen zich intensief met de discussie bemoeide.

Ik heb het interessante deel van de discussie pas achteraf gelezen. Na een paar dagen vervallen dit soort gedachteuitwisselingen op Internet helaas meestal tot scheldpartijen en voor buitenstaanders onbegrijpelijke onderonsjes. En toen het gesprek nog op niveau was, had ik me een week teruggetrokken van mijn computer, naar een rustige plek met alleen een stapel boeken.

Een van die boeken was Analytische Taalkunde van Joop van der Horst. De toon van dat boek is ongeveer het omgekeerde van die in zo'n Internet-discussie: kalm, niet polemisch, rustig. Het boek is prettig om te lezen en biedt af en toe originele gezichtspunten. Maar op een punt is het merkwaardig -- en ook anders dan de discussie op nl.taal. Het lijkt wel alsof er in de analytische taalkunde helemaal geen plaats is voor de fonologie en de morfologie.

Ik wil hier geen recensie van Analytische Taalkunde schrijven, maar kort gezegd komt de theorie op het volgende neer. Het model voor de taalkunde is volgens Van der Horst veel eerder de taalkundige dan de redekundige ontleding. Begrippen als onderwerp, gezegde en zinsdeel behoren allemaal niet tot de taalkunde (maar tot de psychologie of een aanverwant vak). De analytische taalkunde houdt zich daarentegen alleen bezig met woordsoortenleer. De centrale stelling in dit boek is dit boek dat de hele taal alleen bestaat uit 'taaltekens', combinaties van vorm en betekenis. Constructies, syntactische regels en dergelijke, bestaan allemaal niet of kunnen tot 'taalteken' worden herleid.

Dat is origineel omdat de meeste twintigste-eeuwse taalkunde eerder gebaseerd is op redekundig dan op taalkundig ontleden. Van der Horst is bovendien behoorlijk radicaal en probeert bijvoorbeeld aan te tonen dat de buigings-e in vele studenten en mogelijk zelfs in slimme studenten betekenis heeft. Maar als fonoloog weet ik toch niet goed wat ik hiermee aan moet. Op het eerste gezicht lijkt er in de Analytische Taalkunde helemaal geen plaats voor de fonologie. De meeste fonologie gaat toch echt alleen maar over de vorm, met absoluut voorbijgaan aan de inhoud: nasaalassimilatie (impopulair zeggen in plaats van inpopulair) lijkt mij bijvoorbeeld volstrekt betekenisloos. Voor Van der Horst moet een bespreking van nasaalassimilatie daarom helemaal buiten de taalkunde vallen, omdat vorm en inhoud niet van elkaar gescheiden kunnen worden. Fonologie gaat niet over taaltekens, en omdat de analytische taalkunde juist alleen over taaltekens gaat, is er geen ruimte voor een analytische fonologie. Van der Horst zegt dan ook bijzonder weinig over fonologische vorm. Zijn meest specifieke uitspraak is dat woorden bestaan uit 'foneemreeksen', een overtuiging die weinig kenners van de Nederlandse fonologie zullen delen.

Het Nederlands heeft twee min of meer productieve meervoudsuitgangen: -en en -s. Dat zijn voor Van der Horst twee taaltekens, en omdat hij liever niet aanneemt dat er synoniemen zijn, zouden we hier een (subtiel) betekenisverschil verwachten. Ik weet niet wat dit verschil zou kunnen zijn, maar uit de literatuur is wel bekend dat er een fonologisch verschil is tussen de twee. Dat verschil wordt meestal geïllustreerd aan woorden die eindigen op -ie: het woord genie neemt de uitgang -en, het woord familie de uitgang -s. Geert Booij heeft laten zien dat dit te maken heeft met het feit dat genie eindigt op een beklemtoonde -ie en familie op een onbeklemtoonde. De ideale metrische structuur in het Nederlands is een trocheësche voet -- een beklemtoonde lettergreep gevolgd door een onbeklemtoonde. Dat verklaart het verschil in voorkeur: zowel genieën als families eindigt immers op trochee.

Het is onduidelijk hoe deze verklaring in de analytische taalkunde moet worden ingebed. Omdat hij niet naar het eventuele betekenisverschil tussen -en en -s verwijst, moet hij buiten de taalkunde vallen. Maar een niet-taalkundige verklaring valt er ook niet echt aan te geven (genies en familiën kunnen best uitgesproken worden, dus de articulatorische fonetiek valt als verklaring waarschijnlijk al af), tenzij we aannemen dat bijvoorbeeld die voorkeur voor trocheeën buiten de taalkunde valt. Als dat zo is, dan zijn fonologen mensen die geïnteresseerd zijn in puur talige fenomenen, maar geen taalkundigen. Ik vind het best, maar toch ook wel een beetje verwarrend. Overigens doet Van der Horst ook een interessante observatie. Het is bekend dat affixen over het algemeen een veel armoediger fonologische vorm (-en, -s, -t) hebben dan stammen (encyclopedie, struikel). Dat komt aardig overeen met het verschil in de hoeveelheid betekenis dat de twee soorten morfemen moeten uitdrukken. Van der Horst breidt deze observatie verder uit: hoe armoediger de betekenis, hoe armoediger de vorm. Volgens hem is ook woordvolgorde (mooie man in plaats van man mooie) een taalteken, maar een met een erg armoedige structuur en een erg armoedige betekenis. A staat voor B betekent 'A heeft betrekking op B'. Zeer weinig betekenis dus, voor een element met een minimale vorm.

Dit is nu interessant omdat voor Van der Horst zelfstandig naamwoorden ook meer betekenis hebben dan werkwoorden. We verwachten dan dat de vorm van de eerste ook 'rijker' is dan die van de tweede. Hoewel Van der Horst hier niets over zegt, valt er op deze manier misschien iets te begrijpen van een observatie die Mieke Trommelen enkele jaren geleden deed: dat zelfstandig naamwoorden inderdaad veel meer mogelijkheden hebben wat lettergreepstructuur betreft dan werkwoorden. Een woord als herfst, met een zeer gecompliceerd rijm kan alleen een zelfstandig naamwoord zijn, onafgeleide werkwoorden met dezelfde structuur bestaan niet. Van der Horsts theorie over woordsoorten geeft misschien een aanknopingspunt om Trommelens feiten te begrijpen. Al blijft er nog veel onduidelijk, vooral gezien de ondergeschikte rol die de fonologie duidelijk inneemt in Van der Horsts taalkunde.

Marc van Oostendorp

J.M. van der Horst, Analytische taalkunde, Groningen, Martinus Nijhoff, 1995. ISBN 90 6890 487 6.
Booij, G., The Phonology of Dutch, Oxford University Press, Oxford, 1995.
Trommelen, M., 'Lettergreepstructuur en woordkategorie,' Nieuwe Taalgids 82 (1989): 64-77.










maandag 2 juni 1997

Digitaal schrijven

Ik werd onlangs gegrepen door sombere gedachten over deze column. Wat ben ik toch een verschrikkelijke amateur. Ik doe maar wat. Een systeem zit er niet in, en hoe ik de lezers onder ogen durf te komen is welbeschouwd een raadsel.

Hoe moet je schrijven voor de digitale media? Daar wilde ik eindelijk wel eens wat meer over weten. Dus kocht ik twee boeken. Het eerste boek zag er zeer hip uit, was geschreven door redacteuren van een bekend modern tijdschrift van de Amerikaanse westkust, en beloofde tips te geven over het onderwerp waarin ik geinteresseerd was geraakt. Dit boek was helaas een miskoop. 'Gebruik geen moeilijke woorden', 'Schrijf het woord ftp met kleine letters'. Wie graag dergelijke zinnen ontcijfert als ze in merkwaardige letters staan afgedrukt op bontgekleurd glimmend papier, zal misschien zijn voordeel kunnen doen met Wired Style. Wat mij betreft was het alleen maar een slecht stijlboek -- een dat misschien wel ingaat op enkele modieuze kreten uit de digitale cultuur, maar niet echt op het onderwerp dat mij interesseerde: schrijven voor het scherm.

Van het tweede boek dat ik kocht heb ik meer plezier -- al is het niet speciaal bedoeld voor schrijvers voor digitale media, en al komen die media ook nauwelijks aan de orde. De schrijvers van het Handboek Stijl, Peter Burger en Jaap de Jong, bespreken wel de voor- en nadelen van de tekstverwerker, maar ze nemen aan dat de lezer het eindresultaat toch op papier te lezen krijgt. Ik heb het boek met veel plezier gelezen omdat het goed geschreven is; omdat de auteurs goed hebben nagedacht over wat 'aantrekkelijk schrijven' betekent; omdat ze veel aardige en interessante voorbeelden geven; en omdat er tips instaan waar ik wat aanhad. Niet overal was ik het met de schrijvers eens. Een wetenschappelijk artikel zou ik nooit opbouwen volgens de tips die ze verstrekken: als ik zelf zo'n artikel lees, heb ik liever ook niet dat het al te 'aantrekkelijk' is, ik wil alleen snel de informatie eruit kunnen halen die ik nodig heb. Wat mij betreft neemt elk wetenschappelijk artikel de vorm aan van een tabel.

Maar dat geldt natuurlijk niet voor een column. Veel van de tips die Burger en De Jong geven lijken me hier wel van toepassing, hoewel niet allemaal in dezelfde mate. Bondigheid lijkt me bijvoorbeeld op een beeldscherm nog belangrijker dan op papier. Lezen van een flikkerend scherm is nu eenmaal vermoeiender dan lezen van papier. Aan de andere kant is hoofdstuk 8 van het boek -- met 'trucs voor een aantrekkelijke structuur' -- wel erg duidelijk geschreven voor papieren publicatie, om precies te zijn, voor publicatie in een publiekstijdschrift.

Ik hoop dat Burger en de Jong over een paar jaar nog eens een Website Stijl schrijven, dat ze die dan op het Web publiceren en voorzien van koppelingen naar inspirerende voorbeelden. Langzamerhand komen er steeds meer schrijvers en journalisten die het schrijven voor het beeldscherm als genre onder de knie hebben. Op dit moment zou die website bijvoorbeeld veel koppelingen moeten hebben naar de eenpersoonskrant Daily Planet van Francisco van Jole, en het tweepersoonstijdschrift HeT van Erno Mijland en Arjan Broere.

En ook in Neder-L valt er gelukkig op dit gebied genoeg te genieten. De teksten van mijn collega-columnist Willem -- 'ook ik ben ervoor dat taalgebruikers hun taal beheersen, maar dat met 'taalbeheersing' leren is zoiets als de duivel uitdrijven met Beelzebub' -- Kuiper bijvoorbeeld, naar wiens columns ik vaak doorklik als ik door sombere gedachten gegrepen dreig te worden.

Marc van Oostendorp

Constance Hale, red. Wired style; Principles of English usage in the digital age. HardWired, Calif., 1996. ISBN 1-888869-01-1
Peter Burger en Jaap de Jong Handboek Stijl; Adviezen voor aantrekkelijk schrijven. Martinus Nijhoff, Groningen, 1997. ISBN 90 6890 481 7.
Daily Planet: http://www.pi.net/archief/daily/daily.shtml
Humoristisch Elektronisch Tijdschrift HeT: http://www.dra.nl/~het/<!/A>
Columns Willem Kuiper: http://www.neder-l.nl//kuiper/index.html










woensdag 30 april 1997

De eenheid van de neerlandistiek

Neder-L is een elektronisch tijdschrift voor neerlandici. U leest Neder-L. Bent u neerlandicus?

Bij uitgeverij Vantilt verscheen onlangs een boekje met een lezing van Maarten van den Toorn, waarin deze voor een groep voormalige studenten Nederlands in Nijmegen iets vertelt over verleden, heden en toekomst van de neerlandistiek als vak. Veel mensen zien het somber in voor het heden en al helemaal voor de toekomst, maar volgens Van den Toorn is er eigenlijk ook nauwelijks sprake van een verleden.

Echte 'allround neerlandici' als De Vooys, Overdiep en Van Ginneken hadden misschien zelf het gevoel dat hun vak een eenheid was, maar dat gevoel wisten ze op hun studenten niet over te dragen, volgens Van den Toorn. Bij taalkunde werden de teksten bij wijze van spreken alleen bestudeerd om het verschil tussen 'de vanouds lange a' en 'de gerekte a' duidelijk te maken; omgekeerd werden bij letterkunde de talige aspecten van literair werk veronachtzaamd omdat men 'voor een groot deel toegespitst [was] op biografische feiten en weetjes.'

In het heden is het geloof ik niet veel beter. De taalkundige oppositie is er misschien nu een van 'onderliggend lange a' versus 'oppervlakkig verlengde a', en de biografische feiten en weetjes zullen ook wel door iets anders vervangen zijn. Maar ik zou wel eens willen weten hoeveel mensen zowel 'Nederlandse Taalkunde' als 'Nederlandse Letterkunde' lezen.

Volgens Van den Toorn is dit alles onterecht. De twee specialismen kunnen niet zonder elkaar. De moderne taalkunde heeft heel wat inzichten verworven, die ook van belang zijn bij de bestudering van letterkundige werken: Van den Toorn geeft een voorbeeld van hoe de formele semantiek van belang kan zijn bij beter begrip van metaforen bij Marsman en Lucebert. Omgekeerd kan de taalkunde iets leren van de bestudering van letterkundige producten: het voorbeeld is hier dat bepaalde vormen die uitgesloten zijn volgens het Morfologisch Handboek van De Haas en Trommelen in literaire werken wel voorkomen.

Van den Toorn heeft het in zijn voorbeelden over beinvloeding die maar één kant opgaat: steeds spreekt hij over toepassing van de taalkundige methode op de bestudering van een letterkundig werk. Hij pleit er niet voor om een letterkundige methodologie toe te passen op taalkundig materiaal -- als ik het goed begrijp zou dat bijvoorbeeld kunnen betekenen dat we de grammaticaliteit van een zin voor een spreker verklaren uit de biografie van die spreker. Dit wordt door Van den Toorn echter niet bepleit. Hij is taalkundige en wil zijn onderzoeksgebied uitbreiden tot letterkundige producten.

Weinig mensen zullen hier iets op tegenhebben. In het deelgebied dat ik het best ken -- de generatieve fonologie -- zijn de afgelopen jaren proefschriften verschenen waarin aandacht wordt besteed aan gegevens uit kindertaal, taal van afatici, dialectgegevens, pogingen om het Nederlands als tweede taal te spreken, enzovoort. Er is geen enkele reden om literaire taal niet in dat rijtje op te nemen, en in het vorig jaar in Utrecht verschenen proefschrift van Astrid Holtman (over rijm) wordt dat ook gedaan. We hoeven aan literaire taal geen bijzondere status te verlenen boven al die andere uitzonderlijke vormen van taalgebruik.

Omgekeerd kan ik me voorstellen dat een letterkundige die van plan is een biografie te schrijven over Lucebert geen boodschap heeft aan het feit dat de tijd het feature <+eetbaar> moet ontberen in de versregel de dichter hij eet de tijd op.

De taalkunde en de letterkunde hebben een doorsnede: de stilistiek. Die doorsnede is interessant, maar groot is hij niet. Alleen op basis van die doorsnede kun je geen heel vakgebied bouwen, al is het maar omdat beide vakken ook doorsneden hebben met tal van andere wetenschapsgebieden. Van den Toorn schijnt dat ook te vinden, of in ieder geval geeft hij op de laatste bladzijde van zijn boekje nog snel twee argumenten, waarvan alleen de laatste echt sterk is:

'Eenheid van de neerlandistiek is nodig om erkenning te vinden, niet alleen moreel en wetenschappelijk, maar ook financieel in het beleid van de overheid.'

Het is een weinig inhoudelijk argument, helaas. Maar ik zie niet veel andere redenen om jezelf neerlandicus te noemen. Behalve misschien omdat het zo leuk is om Neder-L te lezen.

Marc van Oostendorp


M.C. van den Toorn, De eenheid van de neerlandistiek, Uitgeverij Vantilt. ISBN 90 75697 04 X.

dinsdag 4 maart 1997

Hoogwaardige informatie

Volgens mij heeft Noam Chomsky gelijk. Hij werd onlangs geïnterviewd door het hippe online tijdschrift Hotwired, dat hem vroeg of het Internet betere kansen bood voor echt vrije berichtgeving dan de gedrukte pers, de radio en de televisie. Chomsky vergeleek de situatie waarin het Internet nu verkeert met die waarin de radio was aan het begin van deze eeuw.

Ook de radio werd ooit gekenmerkt door totale anarchie. Iedereen die dat wilde kon zijn eigen zender bouwen, en gaan zenden. Dat was lang niet naar de zin van iedereen: zo rommelig, zo onoverzichtelijk, zo weinig controle. Dus werd een en ander snel gecentraliseerd. In Amerika kwam de macht in handen van een paar grote bedrijven, in Europa van de staat.

Inderdaad zie je op het Internet hetzelfde gebeuren. Alom wordt steen en been geklaagd dat het Net zo rommelig zou zijn, dat rijp en groen er door elkaar zou staan, dat je geen enkele kwaliteitscontrole hebt over het materiaal, enzovoort. En de oplossingen worden ook langzaam maar zeker: controle door de grote bedrijven, en controle door de staat.

Een nieuwe manier om het Internet te benaderen is narrowcasting: in plaats dat de gebruiker zelf ongelimiteerd het Net afschuimt en klikt op elk steekwoord dat haar interesseert, kan ze in een keer aantal onderwerpen opgeven die haar interesseren (het weer in St. Oedenrode, de beursberichten, Patrick Kluivert). Voortaan krijgt ze dan van een centraal netwerk de meest actuele gegevens over die onderwerpen opgestuurd: elke dag, elk uur, of zelfs elke minuut. Die gegevens verschijnen in een klein venstertje in een hoek van het beeldscherm.

Een ideale oplossing, volgens velen. Geen geschuim meer, nooit meer op zoek naar actuele informatie. Wat je interesseert, krijg je automatisch thuis. In gegarandeerde topkwaliteit. Prachtig, prachtig.

Dat je bij die nieuwsberichten ook de nodige 'commerciële boodschappen' op je scherm krijgt, schijnt geen probleem te zijn. En ook niet dat de macht over dit soort narrowcasting-stations al snel veel centraler georganiseerd raakt dan op het huidige Web. Dat de grote bedrijven en de staat veel makkelijker controle uit kunnen oefenen, bijvoorbeeld omdat het veel duurder is om een narrowcasting station op te zetten dan een Web-site.

Dit nieuwe systeem lijkt erg op radio en televisie. Het heet narrowcasting (en niet broadcasting) omdat de uitzendingen veel meer kunnen worden toegesneden op het individu: iedereen krijgt een programmapakket dat zo goed mogelijk is aangepast aan haar eigen behoeften.

Ik geloof er niet in. De druk om alles en iedereen over de hele wereld 'commercieel aantrekkelijk' te maken is te groot. Met het weer in St. Oedenrode en Patrick Kluivert zal het misschien wel goed komen. Maar zullen er ooit stations komen waar je continu geïnformeerd kan blijven over Aagje Deken of Noam Chomsky?

Marc van Oostendorp,








woensdag 29 januari 1997

De toekomst van het boek

Er verschijnen te weinig boeken over de toekomst van het boek. Er verschijnen trouwens ook veel te weinig Web-sites, CD-ROMs, televisieprogramma's en computerspelletjes die dat onderwerp behandelen. Iemand die geinteresseerd is in boeken en in techniek moet zich voor de bevrediging van zijn leeshonger soms richten tot de vreemdste bronnen. Het kan maanden duren voordat zij weer een verstandig woord tegenkomt.

De meeste schrijvers in The Future of the Book leveren dergelijke verstandige woorden. De redacteur, Geoffrey Nunberg, heeft dan ook de creme de la creme van de humanistische hypertekst-geleerdheid bij elkaar gebracht: Carla Hesse, James J. O'Donnell, Paul Duguid, Geoffrey Nunberg, Regis Debray, Patrick Bazin, Luca Toschi, George Landow, Raffaele Simone, Jay David Bolter en Michael Joyce. Umberto Eco, directeur van het Center for Semiotic and Cognitive Studies van de Universiteit van San Marino dat het congres organiseerde waarvan deze bundel de neerslag is, schreef een nawoord.

In dat nawoord merkt Eco op dat hij al bij aanvang van het congres verwachtte dat minstens een spreker de woorden van Victor Hugo aan zou halen: Ceci tuera cela. Het werden er twee, Duguid en Nunberg, en geen van beiden kon de verleiding weerstaan om op te merken hoe de stand van zaken veranderd lijkt sinds Hugo's (en Quasimodo's) tijden. De aartsdeken in de Klokkenluider van de Notre Dame bedoelde met ceci het boek en cela de architectuur. Tegenwoordig gaat de discussie eerder over het boek als cela en ceci als de architectuur van de computer. Beide auteurs en Eco waren bij het schrijven waarschijnlijk nog onbekend met het feit dat ongeveer tegelijkertijd met The Future of the Book een verfilming door Disney zou uitkomen van The Hunchback of Notre Dame. Een verfilming die voor een belangrijk deel steunt op computer-technieken en waarschijnlijk nu al meer bezoekers heeft getrokken dan er ooit Hugo hebben gelezen.

Een bijzonder aardige bijdrage is die van James O'Donnell, getiteld The Pragmatics of the New: Trithemius, McLuhan, Cassiodorus waarin hij drie manieren om te reageren op nieuwe technieken uiteenzet, waarvoor de drie mannen uit de titel als voorbeelden gelden.

Johannes Trithemius schreef in 1492 een boek De Laude Scriptorium, waarin hij zich afzette tegen de boekdrukkunst. O'Donnell laat zien dat Trithemius' argumenten (en die van zijn tijdgenoten) eigenlijk stuk voor stuk valide waren: doordat alle gedrukte kopieen van een boek hetzelfde zijn, werd collationeren inderdaad onmogelijk; het goedkope papier dat voor gedrukte boeken gebruikt werd was inderdaad minder houdbaar; en er slopen inderdaad meer slordigheden in de incunabelen dan in de handschriften. Bovendien had hij gelijk in zijn hoofdargument, dat introductie van drukmachines het kloosterleven (van de Benedictijnen) zoals dat tot dan toe gefunctioneerd had behoorlijk zou ontwrichten. Toch heeft zijn werk zoals bekend weinig kunnen tegenhouden en schreef hij zelf in 1515 al over 'ars illa mirabilis et prius inaudita imprimendi et characterizandi libros.' Hij was volgens O'Donnell dan ook geen echte tegenstander van de nieuwe technologie, hij zag alleen niet hoe het kon worden geintegreerd in het kloosterleven. Dat heeft hem, en de kloosters als centra van geleerdheid, uiteindelijk de das omgedaan.

Marshall McLuhan, 'the anti-Trithemius of our time' was juist te enthousiast en volgens O'Donnell te theoretisch. Doorlopend bezig visies te ontwikkelen over de Gutenberg Galaxy, de global village en the medium is the message, vergat hij een school te stichten. Volgens O'Donnell is het zelfs in principe onmogelijk om McLuhan na te volgen; hij vraagt de lezer af te zien van het intellectuele raamwerk dat de technologie hem biedt. Maar er is geen mens die dat kan, want die handeling gaat in tegen de basisbeginselen van de menselijke rationaliteit. Het beeld dat O'Donnell van McLuhan schetst is er daarmee een van een inspirerende theoreticus die echter uit de aard der zaak te weinig invloed heeft kunnen uitoefenen op de reele gang van zaken.

De laatste persoon is ten slotte Cassiodorus, over wie O'Donnell zijn proefschrift ooit heeft geschreven. Bij het schrijven van dat proefschrift ontdekte hij dat Cassiodorus niet voldeed aan het romantische idee dat van de man leeft - de man die eigenhandig de klassieke beschaving gered had van het barbarendom door de monniken te leren de oude schrijvers te kopieren. Eerder bestond het leven van Cassiodorus uit proberen, mislukken, de plannen bijstellen, opnieuw proberen en uiteindelijk mislukken. De religieuze gemeenschap waar hij toe behoorde was enkele jaren na zijn dood al verdwenen. Een serieuze kopiistencultuur begon pas 150 jaar later.

O'Donnell schrijft dat het hem na zijn proefschrift vele jaren gekost heeft om in te zien dat er van deze mislukkeling toch iets te leren valt. Anders dan Trithemius raakte hij niet in paniek door de invoering van nieuwe technieken, maar hij probeerde deze toe te passen voor het goede doel. Hij werd anders dan McLuhan niet zo overdreven enthousiast van het nieuwe dat hij oude bestaande instituties voortijdig afschreef. Maar het belangrijkste verschil met de andere twee was dat hij zich niet overgaf aan eindeloze theoretische speculaties over hoe goed of hoe slecht de techniek was. Hij stroopte de mouwen op en maakte er het beste van. Dat hij daarbij uiteindelijk mislukte, is van ondergeschikt belang.

In de discussie over het einde van het boek en de nieuwe media wemelt het van de McLuhans en de Trithemiussen. Dan is het prettig om eens wat in de geest voor Cassiodorus te lezen. Daarvoor staan in deze bundel enkele goede bijdragen. Een genot om te lezen, om daarna zelf de handen uit de mouwen te slaan en te beginnen.

Marc van Oostendorp, oostendo@euronet.nl

Geoffrey Nunberg, red., The Future of the Book. Berkeley/Los Angeles, University of California Press, 1996. With an afterword by Umberto Eco.

woensdag 1 januari 1997

Drie voor twaalf

De kerstpuzzel van Neder-L heeft drie inzendingen opgeleverd en geen van de drie is geheel foutloos, al zitten ze alle drie wel dicht tegen de foutloosheid aan. Ik stelde in die puzzel twaalf vragen waarop het antwoord op het Internet gevonden kon worden. Die antwoorden moesten dan ook vergezeld gaan van een vindplaats op het Net. Hieronder geef ik de antwoorden die volgens mij de juiste zijn.

1. Welke spelling is volgens het nieuwe Groene Boekje de juiste: bloes of blouse?

Het juiste antwoord luidt: ze zijn allebei goed. Er zijn verschillende elektronische Groene Boekjes op het Net die onvoldoende betrouwbaar blijken. Een deelnemer had in Delft gekeken en daar alleen _blouse_ gevonden. Dat antwoord kon de jury niet goedkeuren. Veel betrouwbaarder blijkt de lijst op http://206.48.177.73:80/spelling/, waar een tweede deelnemer naar verwijst. De derde deelnemer vond het goede antwoord op een andere plaats, bij het Ministerie van OC&W (http://www.minocw.nl/spelling/voorkeur.htm). Nog een plaats waar het juiste antwoord gevonden had kunnen worden is in het dossier Spelling van de Volkskrant.

2. Welke Franse dichtregel zou model hebben gestaan voor 'Onder de maan schuift de lange rivier?'

Om het antwoord op deze vraag te vinden moest men eerst weten dat dit een regel van Van Ostaijen is. Intikken van de regel in een goede zoekmachine zoals Hotbot levert meerdere vindplaatsen voor dit gedicht op. De auteursnaam staat er steeds bij vermeld. Vervolgens kon men op zoek gaan naar meer informatie over Van Ostaijen. In een special over de dichter in de Brakke Hond verscheen een artikel van Paul Claes, waarin deze uiteenzet dat de regel ontleend is aan Apollinaires regel 'Sous le pont Mirabeau coule la Seine.' Twee van de inzenders vonden dit antwoord, met de genoemde vindplaats. Een moest het antwoord schuldig blijven.

3. Wat is het verschil tussen s-domination en c-domination volgens Chomsky?

Het antwoord op deze vraag is door alle drie de inzenders gevonden. Twee vonden het in het Utrechtse Linguistic Lexicon: A c-dominates B if every segment of A dominates B, A s-dominates B if some segment of A dominates B. De derde verwijst naar http://www.entmp.org/linguistics/synthinar/s2. De definitie daar is echter onduidelijk en niet helemaal juist.

4. Welke Nederlandse taalkundige laat zich 'Lichtende God van de Taal' noemen?

Alle drie de deelnemers zeggen: Sjors van Driem en verwijzen naar http://www.vpro.nl/www/vpro-digitaal/wetenschap/ARCHIEF/bhut.htm. Inderdaad wordt die naam daar zo gespeld. Feit is echter dat de geleerde in kwestie zelf zijn voornaam schrijft als George (zie bijv. http://iias.leidenuniv.nl/hst/himalaya/project.html). Na rijp beraad heeft de jury besloten de spelling Sjors toch goed te keuren.

5. In welk dialect wordt op de volgende manier tot tien geteld: I`e`en, twi`e`e, drie"e, viere, vuuve, zesse, zeevne, achte, neegne, tiene...

Het antwoord, het dialect van Roeselare, is te vinden op de dialectverzameling van Roger Thijs. Twee deelnemers vonden het, en een wist het niet.

6. Wat is de oudste Middelnederlandse tekst waarin de duivel een lichamelijk gebrek vertoont?

Alle drie de lezers wisten dat het Mariken van Nieumeghen was, maar alle drie verwijzen ze naar de tekst van dat stuk op http://www.dds.nl/~ljcoster/marieken/. Dat is niet goed: die tekst bewijst op zichzelf niet dat er geen oudere bronnen zijn waarin de duivel een gebrek heeft. Een betere vindplaats is de column van Willem Kuiper over dit onderwerp in de archieven van Neder-L. De jury geeft overigens toe dat dit artikel bijzonder moeilijk is terug te vinden.

7. Wie is voorzitter van de wetenschapscommissie van het BBN?

Door alle drie de inzenders gevonden op de pagina van het BBN: mw. M.A. Schenkeveld-van der Dussen.

8. Wat is de titel van het proefschrift van Marijke Meijer Drees?

Ook dit antwoord is door alle drie de inzenders gevonden: De treurspelen van Thomas Asselijn (ca. 1620-1701). Dit is te vinden op http://www.let.ruu.nl/departments/nl/nlren/bio.html#meijer.

9. In welk jaar verhuisde Willem Bilderdijk naar Haarlem?

Alweer drie keer goed: 1827. Dit was te vinden op de Bilderdijk-tentoonstelling van de KNAW.

10. Welke drie soorten informatie worden opgenomen in de SignPhon-gegevensbank?

1) gegevens over de 'structurele' eigenschappen van het gebaar. 2) niet-structurele eigenschappen van het gebaar, zoals de pragmatische of sociolinguistische context waarin het gebaar meestal gebruikt wordt. 3) niet-taalkundige informatie, zoals de naam van de informant, de datum van codering, etc. Door alle drie de deelnemers gevonden op http://oasis.leidenuniv.nl/hil/sign-lang/signphon.htm#structure.

11. Hoe heet de hoofdpersoon in J. van Ginnekens Roman van een Kleuter?

Het antwoord, Keesje, is te destilleren uit de online editie van de Roman. Alle drie de deelnemers hebben dit gevonden.

12. Hoeveel literaire prijzen zijn er toegekend aan de schrijver A. Alberts?

Dat zijn er 5 (of 4, naar gelang de definitie van een literaire prijs), zoals is na te lezen op de uitstekend verzorgde pagina's over deze schrijver van Herman Jansen. Ook dit was drie keer goed.

Achteraf blijkt de samenstelling van de vragenlijst niet ideaal: de moeilijkste vragen zaten in het begin. In ieder geval zijn er een paar mensen die succesvol hebben deelgenomen, en uit de reacties maak ik op dat er enkele tientallen het hebben geprobeerd. Een deelnemer naderde het ideaal van foutloosheid het dichtst: alleen de door hem gegeven vindplaats voor vraag 6 was niet juist. Verder had hij alles gevonden. De winnaar is daarom Gosse Bouma.