Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

maandag 21 december 1998

Kerstprijsvraag: faits divers

Je hoort wel eens dat de ontwikkelingen op het Internet zo snel gaan, maar in de neerlandistiek is het allemaal best bij te houden. Zeker, in het afgelopen jaar hebben een paar belangrijke organisaties eigen websites geopend: de Taalunie, het Constantijn Huygens Instituut, het INL en het Letterkundig Museum bijvoorbeeld. Maar echt indrukwekkend groot en rijk zijn die websites nog niet. En de instituten voor neerlandistiek blijven met enkele uitzonderingen (die vorig jaar ook al uitzonderingen waren) nog steeds een beetje achter.

De vragen in de traditionele kerstprijsvraag van dit jaar beperken zich dan ook tot faits divers uit het vakgebied; er worden weinig substantiële kwesties in aangesneden. De enige reden is dat ook u allen die dat leest vooralsnog lijkt te weigeren echt massaal uw onderzoeksresultaten op Internet te publiceren. Voor diepgang moet je nog steeds niet op het Internet zijn.

Spelregels

Hieronder vindt u twaalf vragen. Het is de bedoeling dat u elk van deze vragen beantwoordt, en bovendien bij elk antwoord de juiste vindplaats op het Internet vermeldt. Dit antwoord dient in ieder geval de vorm te hebben van een zo volledig mogelijk Internet-adres, zoals http://www.neder-l.nl/index.html. Een enkele keer wilt u misschien een on-line database raadplegen, zodat het precieze adres niet te achterhalen is. In dat geval dient u zo duidelijk mogelijk de gevolgde stappen te beschrijven. Sowieso worden uitgebreide beschrijvingen van gebruikte zoekmethoden zeer op prijs gesteld.

De Internet-adressen moeten op 15 december 1998 opvraagbaar geweest zijn (het is niet toegestaan zelf een antwoord op het Internet te publiceren en daar dan naar te verwijzen). Redacteurs van Neder-L, alsmede hun familie en schoonfamilie, zijn uitgesloten van deelname. Inzendingen dienen voor 31 januari 1999 per e-mail verstuurd te worden aan oostendorp@rullet.leidenuniv.nl.
De prijs waarom dit jaar gestreden wordt, is een fraai en uniek Neder-L t-shirt!

De vragen
  1. Noem een schrijver van wie in de tentoonstelling 'Gaan waar de woorden gaan' de stem te horen en een borstbeeld te zien is.
  2. Welk tekstformaat zal gebruikt worden in de elektronische editie van de ANS?
  3. Wat was in de zeventiende eeuw een Carreldoek?
  4. Op welke leeftijd beginnen kinderen hun eerste lettergrepen te produceren?
  5. In welke stad woont de dichteres Jo Govaerts?
  6. P. van Haps schreef een brief van 'Antonia' aan 'Theodoor'. In welk jaar deed hij dat?
  7. Wat was de titel van de lezing van Veerle Fraeters tijdens het International Medieval Congres in Leeds, in juli 1998?
  8. Wie deed dit jaar de volgende uitspraak: 'Knuvelder is veertig jaar meegegaan. Als wij dat halen, mogen we al heel blij zijn. Langer kan zo'n concept niet standhouden.'
  9. Welke uitgever zal de nieuwe editie van het Verzameld Werk van Willem Elsschot uitgeven?
  10. Vertaal in het Haags: 'Knuvelder is veertig jaar meegegaan. Als wij dat halen, mogen we al heel blij zijn. Langer kan zo'n concept niet standhouden.'
  11. Welke simpele logische fout zit er volgens professor Nerbonne in het PRO-theorema?
  12. Welk literair genre beoefende Eelckje van Bouricius?





dinsdag 3 november 1998

De witte Cadillac van Harry Mulisch

Nu de Nobelprijs voor de literatuur alweer aan Harry Mulisch voorbij is gegaan, doet zich de vraag voor in welk vak we hem een eredoctoraat moeten uitreiken. Mulisch' nieuwste roman De procedure voegt twee nieuwe vakken toe aan het lijstje waarvoor Mulisch toch al in aanmerking kwam (scheikunde, filosofie, muziekwetenschap, politicologie): de informatiekunde en de taalwetenschap.

De informatiekunde eerst. Je kunt je afvragen waarom De procedure eigenlijk gedrukt is. De schrijver spreekt zijn lezer aan het begin in vertrouwen toe: jij en ik gaan samen op een speurtocht, want een ontdekking doe je met zijn tweeën. Tegelijkertijd maakt de verteller herhaaldelijk duidelijk dat hij zijn letters op zijn beeldscherm tovert. Hoeveel overtuigender zou het dan niet zijn als je als lezer diezelfde letters op datzelfde scherm zou kunnen lezen. Je zou je kunnen voorstellen dat de schrijver aan de ene kant van het glas zijn woorden plaatst en jij het aan de andere kant zat toe te kijken. De procedure zou daarom heel wat intiemer lezen van een beeldscherm dan van het afstandelijke papier: als je goed keek zag je de schrijver zitten.

Toch is dit alles geen technologische fictie, al maakt de hoofdpersoon zelfs eventjes gebruik van het Internet. De procedure is nog veel beter te lezen als een taalkundige roman. Zo hebben de drie delen van het boek titels die een studie over discourse analysis niet zouden misstaan: Het spreken, De zegsman en Het gesprek. Ook overigens staat het vol taalkundige beschouwingen, zij het van een soort waarover de gemiddelde student in de Inleiding Taalwetenschap niet vaak hoort.

Een centrale rol in Mulisch' taalbeschouwing speelt bijvoorbeeld de letter. "Wanneer ik op een bepaald moment in mijn leven een bepaalde letter schrijf, bij voorbeeld drie woorden geleden de letter i in het woord schrijf, dan schrijf ik niet eenvoudig die letter, die jota met die tittel, ook niet eenvoudig de i van de diftong ij, maar toen ik die i schreef schreef ik de i van het woord schrijf", enzovoort. Dat schrijven van letters wordt vervolgens aan van alles en nog wat geassocieerd: aan DNA-strengen, natuurlijk, maar vooral ook aan de bijbelinterpretatie waarin de wereld niet alleen geschapen is met letters, maar ook letterlijk alleen bestaat uit de letters van de bijbel. Omdat dat boek nu eenmaal in het Hebreeuws geschreven is, volgt hieruit dat de wereld alleen uit medeklinkers bestaat. (Het enige wat ik miste was een beschouwing over de equidistante letterafstanden in Genesis van Witztum, Rips en Rosenberg; de theorie waarop het immens populaire computerkabbalaboek The Bible Code gebaseerd is.)

Al die aandacht voor letters en voor het alfabet is onder taalkundigen zoals u weet (ja u, aan de andere kant van het beeldscherm) not done. Mulisch knoopt er bovendien nog een beschouwing aan vast over de verderfelijkheid van alle spellingveranderingen. In het Nederlands is het schier onmogelijk om iets tijdloos te zeggen: daarvoor verandert onze spelling te vaak. Ik durf de letterlijke passages hier niet te citeren, u mocht eens in verwarring komen en geloven dat ik denk wat Mulisch schrijft. Dan was ik snel taalkundige-af. Maar ik geloof wel dat de kabbala als moeder van de moderne taalwetenschap ondergewaardeerd is. En dat het schrift vandaag de dag ten onrechte een stiefkind van de taalwetenschap is. ('Spelling is géén taal'. Jaja.)

Er worden overigens twee taalkundigen van vlees en bloed bij de naam genoemd in dit boek: Panini en Chomsky. Ook Frits Staal speelt nog een klein rolletje. Alle drie deze taalkundigen worden binnen twee bladzijden in het Californische deel van het boek afgehandeld. Panini wordt genoemd als de naam van een broodjeszaak. "'Panini' betekent hier overigens niet 'broodjes', zoals iedereen denkt, maar het is zoals hij [Masson, de figuur die sterk op Staal lijkt] mij vertelde, de naam van een vermaard indisch grammaticus uit de vijfde eeuw v. Chr." Een pagina later wordt de modernere taalkundige genoemd: "Voor de deur staat mijn open witte Cadillac, die ik heb overgenomen van Noam Chomsky, de linguïst."

Van alle zinnen in De procedure heeft deze laatste mij het meeste plezier bezorgd. Het verhaal speelt in 1994, toen Chomsky zesenzestig was. Ik stel mij voor hoe de oude Chomsky genoeg kreeg van dat almaar rondrijden in zijn Cadillac langs de Californische stranden, met zijn bruingebrande arm uit het open raampje, de radio hard op gouwe ouwen van de Beach Boys en zijn haren wapperend in de wind. Hij zal wel een mooi prijsje voor zijn auto hebben gemaakt toen hij met Mulisch' microbioloog onderhandelde over de prijs, vlak voor hij terugvloog naar Boston om daar de laatste hand te leggen aan The minimalist program.

De Nobelprijs speelt overigens ook nog een rol in De procedure. Victor Werker, een van de hoofdfiguren, staat op het punt die prijs te krijgen voor zijn biologische werk, als hij vermoord wordt. Wat was het mooi geweest als Mulisch de prijs der prijzen had gekregen in het jaar dat hij een boek publiceerde over iemand die hem net niet kreeg. En wat is het jammer dat Werker geen eredoctoraten krijgt uitgereikt in dit boek.





zaterdag 5 september 1998

Siliconenborsten aan de top

Een gerenommeerd liefhebber van woordenboeken heb ik wel eens horen vertellen dat hij het als kind leuk vond om stiekem vieze woorden op te zoeken in de naslagwerken in de boekenkast van zijn ouders. Aan het gesnuffel en gezoek naar verboden woordjes in deftige ingebonden boeken had hij een levenslange fascinatie voor taal overgehouden.

Zo'n verhaal prikkelt de fantasie. Dat zoeken naar verboden vruchten kan op Internet natuurlijk op een veel grotere schaal. Is dat geen manier om mensen voor het vak te interesseren? Door over seks te beginnen en dan langzaam maar zeker de aandacht om te buigen naar andere zaken? 'Als we de klankrij van dat woord omdraaien krijgen we skes. Dat klinkt vreemd; liever zouden we sches zeggen. Hoe komt dat? Welnu,'

Peter-Arno Coppen heeft deze truc dit jaar al een paar keer toegepast in zijn reeks Linguïstische Miniatuurtjes. Dat leverde titels op als 'Seks: Versnapering of pech?' en 'Kut op Dirk, waar slaat dat op?'. Werkt die truc ook? Dat is een vraag die op Internet gemakkelijk te beantwoorden is.

De servercomputer van Neder-L genereert elke maand statistische informatie over de bezoekers van de webversie van ons tijdschrift. Daardoor valt precies te achterhalen welke onderdelen het vaakst geraadpleegd worden. De redactie heeft daarmee een genadeloos middel in handen om te bezien of de medewerkers hun werk wel naar tevredenheid doen. Maar ook voor een onderzoekje naar het effect van stilistische middelen op Internet, zijn dat soort statistieken zeer bruikbaar.

Ik heb de gegevens over de maand augustus 1998 eens bekeken. In Coppens persoonlijke top-3 (de lijst met de populairste miniatuurtjes in deze maand) staan de twee sekscolumns op de nummers 1 en 3. De column die Coppen in augustus schreef ('Uren schreeuwen om aandacht') staat op nummer 2.

Hoe zit het met mijn andere collega-columnist? Nummer 1 in Willem Kuipers persoonlijke top-3 staat de column die hij in december 1997 schreef ('Heb je al gehoord van de zeven, de zeven'); in dit artikel wordt gesproken over 'tepels'. Nummer 2 is een column over homosexualiteit ('Een geluk bij een ongeluk') waarin woorden voorkomen als 'schandjongens', 'sodomie' en 'hermafrodiet'. Pas op nummer 3 komt een stukje waarin ik niets aanstootgevends kan vinden, over de verzakking van Kuipers huis ('Zo vast als een huis').

Zoveel seks in de top, dat kan geen toeval zijn. Aan de andere kant staan de intieme delen in ieder geval bij Kuiper vrij goed verborgen in stukjes met nogal verhullende namen. Hoe hebben de lezers hen dan toch weten te vinden? Het antwoord moet volgens mij worden gezocht bij de zoekmachines die her en der op het Internet zijn opgesteld. Deze zoekmachines maken alfabetische indexen van miljoenen webpagina's. Wie een steekwoord opvraagt bij een zoekmachine, krijgt een lijst terug met pagina's waarop deze steekwoorden te vinden zijn. (De website van Neder-L heeft overigens zo'n zoekmachine over de eigen pagina's.) Wie 'tepels' intikt, komt zo uit bij een beschouwing over de middeleeuwse samenleving; wie zoekt naar een seksuele versnapering leert en passant een zin ontleden.

Een blik op de statistieken van de website van Onze Taal versterkt deze indruk alleen maar. Een substantieel deel van deze website bestaat uit zogenaamde 'taaladviezen', stukjes waarin taalkundige vragen worden beantwoord. Al maandenlang steekt één advies wat populariteit betreft met kop en schouders boven alle andere uit. Dat is het antwoord op de vraag of je moet schrijven 'siliconen borsten', omdat 'silicone' een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord zou zijn, of 'siliconenborsten' omdat 'silicone' een zelfstandig naamwoord is. Op zichzelf lijkt deze kwestie me nogal vergezocht. Maar het veelvuldig gebruik van het woord 'borsten' maakt veel goed.

Het feit dat kinderen vieze woorden opzoeken in Van Dale maakt het woordenboek natuurlijk niet tot een pornografisch werk. Zowel bij Neder-L als bij Onze Taal is de allerpopulairste pagina de inhoudsopgave. Het populairste artikel in Neder-L is al sinds lange tijd Wie is Wie in Het Bureau?, waarin geen onvertogen woord voorkomt. Het populairste artikel bij Onze Taal gaat over woordenboeken op Internet. Toch is er volgens mij een duidelijke tendens. Een website heeft niet alleen een voordeur, maar via de zoekmachines heeft het ook talloze achterdeuren. Mensen komen binnen omdat ze geïnteresseerd zijn in één van de steekwoorden. (Zo komt er op mijn persoonlijke pagina wel eens een Amerikaan langs die zich voor mij interesseert omdat hij zelf óók Oostendorp heet.)

Hopelijk wordt er af en toe de aandacht van een surfer gevangen door de siliconenborsten van Onze Taal of de tepels van Kuiper. Overigens bungelt mijn eigen column tot nu toe een beetje treurig onderaan in de toplijsten. Maar ik denk dat ik hier voldoende uit andermans werk geciteerd heb om daar verandering in aan te brengen.

Marc van Oostendorp

woensdag 19 augustus 1998

Phonological reality

Ik heb onlangs een reis gemaakt door de aardlagen van Nederland. Op verschillende plaatsen -- nabij Rotterdam, in de Waddenzee vlak onder Schiermonnikoog, in het Mergelgebied -- groef ik een gat van enkele kilometers diep, en vervolgens trok ik een stuk door een olieveld of volgde ik een steenlaag. Een vriend van mij is programmeur bij een geologische dienst en hielp me de reis te maken. In zijn werkkamer liet hij me zien hoe de techniek van virtual reality -- een driedimensionale weergave van de werkelijkheid op het beeldscherm -- geologen behulpzaam kan zijn. Hoe je kunt zien dat een humuslaag op de ene plaats nog onder een zandbank ligt, maar er tien kilometer verder overheen geschoven lijkt te zijn; hoe gevarieerd het geologische landschap zelfs in een betrekkelijk saai eenvormig land als het onze nog is, en hoe mooi.

Als ik zoiets zie, denk ik meteen aan fonologie. Wat prachtig zou het mooi zijn als we op deze manier ook driedimensionale kaarten hadden van het dialectologische landschap van Nederland, waar je bij het Mergelgebied kon prikken om het verval van de Bernrather linie te volgen, of bij Rotterdam voor de vorm hebbie in plaats van heb je.

Het is in de fonologie sinds een jaar of vijf tamelijk gebruikelijk -- sommige mensen noemen het modieus -- om aan te nemen dat fonologische grammatica van een taal bestaat uit een verzameling eisen die er aan een woord gesteld kunnen worden. Die eisen zijn over het algemeen vrij redelijk, maar ze zijn tegelijkertijd ook vaak met elkaar in tegenspraak. Een zo'n eis is dat je de woorden moet uitspreken zoals je ze in je hoofd hebt: als je je denkt, moet je ook je zeggen. Een andere eis is dat woorden idealiter bestaan uit rijtjes van telkens één medeklinker gevolgd door telkens één klinker. Vanuit dat oogpunt bezien is hebbie (medeklinker-klinker-medeklinker-klinker) dus beter dan hebje (medeklinker-klinker-medeklinker-medeklinker-klinker).

Deze twee eisen zijn nu met elkaar in tegenspraak: volgens de ene is het beter om heb je dan om hebbie te zeggen, volgens de andere is hebbie juist weer te verkiezen boven heb je. De aanname is nu dat het enige verschil tussen twee talen of twee dialecten is, aan welk van de twee eisen op zo'n moment de voorrang wordt gegeven; welk van de twee eisen op dat moment `wint'.

Ik geef de twee eisen uit mijn voorbeeld een naam. De eis dat je alle woorden moet uitspreken zoals je ze hoort, noem ik Betrouwbaar; de eis dat alle woorden bestaan uit afwisselingen van medeklinkers en klinkers noem ik Fraai. In de Nederlandse standaardtaal is Betrouwbaar kennelijk belangrijker dan Fraai, daarom krijgt heb je de voorkeur boven hebbie. In het Rotterdams is Fraai belangrijker dan Betrouwbaar, en daarom zeg je in dat dialect hebbie.

Dat de ene eis belangrijker is dan de andere kun je natuurlijk tekenen door de twee eisen boven elkaar te plaatsen:

Rotterdams:FraaiStandaardtaal: Betrouwbaar
BetrouwbaarFraai

Deze eenvoudige fonologische grammatica's geven ook goede beschrijvingen van wat er gebeurt in andere geval dan heb je. Stel bijvoorbeeld dat iemand je hebt in haar hoofd heeft. Het is bijzonder betrouwbaar om dan je hebt te zeggen, en dat gebeurt in het standaard-Nederlands dan ook. Aan de eis Fraai voldoet de spreekster daarmee niet: je heb is volgens dat criterium beter, en dat is dan ook de uitspraak in het Rotterdams. Aan de andere kant zeg je in het Rotterdams niet bijvoorbeeld ie heb: om dat te doen zouden we tegen de eisen van Betrouwbaar ingaan, zonder dat dit iets oplevert in termen van Fraai. Nodeloos onbetrouwbaar is de uitspraak van het Rotterdams niet.

Het plaatje hierboven is natuurlijk behoorlijk eenvoudig: de `echte' grammatica's van talen bestaan waarschijnlijk op enkele tientallen eisen op de structuur die allemaal net iets boven of onder elkaar liggen. In het Rotterdams spreek je haat je bijvoorbeeld niet uit als haat ie, maar als haa(tj)e, waarbij de /tj/ samengesmolten is tot één medeklinker (een gepalataliseerde t). In dialecten in sommige dorpen op de Zuid-Hollandse eilanden, zeg je juist weer wel haat ie.

Allebei de vormen -- haat ie en haa(tj)e -- zijn even Fraai: ze bestaan uit regelmatige afwisselingen van klinkers en medeklinkers. Om het verschil tussen de twee dialecten te maken, zouden we verschil kunnen maken tussen twee vormen van Betrouwbaar. Betrouwbaar I zegt: smelt geen medeklinkers samen, en aan dat criterium wordt dus niet voldaan door haa(tj)e. Betrouwbaar II zegt: maak geen klinker van een medeklinker, en dat werkt ten nadele van haat ie waarin de j tot een ie verworden is:

Rotterdams:FraaiZuid-Holl. Eilanden:Fraai
Betrouwbaar IIBetrouwbaar I
Betrouwbaar IBetrouwbaar II

Op deze manier verschillen de fonologische systemen van alle dialecten van elkaar: deze geeft de voorkeur aan deze betrouwbaarheidseis, en die aan een andere. Ook van Fraai bestaan er verschillende versies.

Deze afbeelding kreeg ik voor ogen toen ik door de virtual reality van de Nederlandse geologie zwierf. Wat zou het mooi zijn als we de grammatica van elk dialect in Nederland in kaart konden leggen. Als we konden zien hoe en op welke plaats tussen Rotterdam en de eilanden Betrouwbaar I over Betrouwbaar II komt te liggen. Geheel nieuwe onderzoeksvragen konden er worden gesteld: gaan dialectwisselingen van het ene dorp naar het andere altijd met kleine stapjes van een eis die een stapje omhoog of naar beneden schuift? Waar liggen de grote fonologische breuklijnen?

En bij drie dimensies hoeft het niet eens te blijven. Een extra dimensie zou een historische kunnen zijn: hoe is de grammatica in een bepaald gebied veranderd? Hebben breuklijnen de neiging om zich te verdiepen in de loop van de tijd? Betekent het verschijnsel van `dialect leveling' -- dialecten veranderen in de richting van de standaardtaal -- inderdaad dat het fonologisch landschap vlakker wordt? Valt er iets te extrapoleren?

Een reis door de krochten van de taal -- wat zou ik hem graag maken.

Marc van Oostendorp
oostendorp@rullet.leidenuniv.nl

Met dank aan Helga Humbert

donderdag 16 juli 1998

Sittardse diftongering

Als er één taalkundig leven verfilmd moet worden, is het dat van Willy Dols. Een lange film hoeft het niet te worden.

Dols schreef vlak voor de oorlog een proefschrift bij Jac. van Ginneken over diftongering in het Sittards. Van Ginneken vond dat proefschrift briljant, en hij probeerde zijn leerling al voor de verdediging een baan te bezorgen. Sterker nog, zelfs voordat Dols afstudeerde, was er al een hoogleraarspost voor hem geregeld in Estland. Jammer genoeg voor Dols kreeg hij, toen de zaak bijna rond was, concurrentie van de Duitse Exil-geleerde Agathe Lasch. Dat leverde nogal wat vertraging op. Voordat de Esten konden beslissen, vielen de Duitsers hun land binnen en werd de hoogleraarspost opgeheven. Dit was nog geen onoverkomelijke ramp -- een paar maanden later kreeg Dols al een nieuwe baan aangeboden: lector Nederlands in Praag. Als voorbereiding op die baan stortte Dols zich op de studie van het Tsjechisch bij de beroemde Leidse slavist Nicolaas van Wijk. Toen vielen de Duitsers ook Tsjechië binnen.

Niet lang daarna was heel Europa in oorlog geraakt. Willy Dols schreef aan zijn proefschrift en werkte ondertussen als leraar op een paar middelbare scholen in Limburg. In het voorjaar 1944 zag Van Ginneken zijn emeritaat naderen en bepaalde in een notitie dat Dols hem dan maar moest opvolgen in Nijmegen. Dols besloot toen tijdens zijn zomervakantie zijn proefschrift in Arnhem te voltooien.

Die stad was in de late zomer van 1944 nu niet de meest aangewezen plaats voor taalkundig werk, en eind september moest Dols er weg bij de evacuatie. Hij nam de verantwoordelijkheid op zich voor een Arnhems gezin waarvan de vader ziek geworden was. Hij bracht dat gezin naar familie die in Putten woonde. Op 1 oktober 1944 was hij daarom in dat dorp, toen alle mannen er door de nazi's werden opgepakt en weggevoerd. Al na iets meer dan een maand overleed Dols aan dysenterie in het concentratiekamp Husum, waar hij had moeten helpen bij het bouwen van militaire verdedigingswerken. Hij was drieëndertig jaar oud.

Van Ginneken had gelijk. Het proefschrift van Willy Dols hoort tot de beste die er ooit in Nederland over een taalkundig onderwerp geschreven zijn: een briljante, uiterst gedetailleerde, erudiete, intelligente en elegante analyse van een ogenschijnlijk klein dialectverschijnsel, dat bij nadere beschouwing een interessant licht werpt op allerlei taalkundige vraagstukken, inclusief allerlei vragen die in Dols' tijd nog niet gesteld konden worden. Dat verschijnsel is dat de klinkers die in andere Limburgse dialecten klinken als ee, eu en oo, in het Sittards in veel gevallen geworden zijn tot ei, ui en ou: Roermonds keezel (kiezel) correspondeert met Sittards keizel, sjtoove (stoven) met sjtouve, meugelik (mogelijk) met muigelik.

Tot zover is er nog weinig opmerkelijks aan dit verschijnsel: middenklinkers zien we ook in Nederlandse dialecten diftongeren. Ook in veel Hollandse dialecten zegt men bijvoorbeeld vreide, gelouve, bruiken. Dols gaat echter heel precies in op de plaatsen waar de diftongering wel of niet plaats gevonden heeft. Dat levert boeiende observaties op. Heel opmerkelijk is bijvoorbeeld de manier waarop de diftongering geblokkeerd wordt door bepaalde tonen. Net als andere Limburgse dialecten, heeft de lettergreep met hoofdklemtoon in elk woord ofwel een zogenaamde 'valtoon' ofwel een 'sleeptoon'. De valtoon begint hoog en gaat dan naar beneden; de sleeptoon gaat ook in eerste instantie (een beetje) omlaag, maar daarna weer naar beneden. Sinds het werk van Ben Hermans -- wat zijn er deze eeuw veel Limburgse fonologen geweest -- noteren de meeste taalkundigen dat als volgt:

HLH



HL

woort



vrei


Vrei is een woord met een valtoon, woort een woord met een sleeptoon; H is een hoge toon, L een lage toon. De observatie die Dols nu deed is dat alleen klinkers met een valtoon diftongeren. De oo met een sleeptoon in woort blijft een oo, en iets soortgelijks geldt ook voor ee's en eu's met sleeptonen.

Dols vraagt zich in het laatste hoofdstuk van Sittardse Diftongering af waaróm er eigenlijk diftongering plaatsvindt. Hij begint uit te leggen dat een wetenschapper een dergelijke vraag eigenlijk niet wil beantwoorden, omdat de ware wetenschapper 'positivist' is. (Een positivist wil alleen maar verifieerbare uitspraken doen, en op de vraag naar het 'waarom' is geen verifieerbaar antwoord te geven.) Dols zelf is echter behalve wetenschapper ook nog dialectspreker, en hij heeft met veel dialectsprekers over zijn onderzoek gesproken -- en daarbij overigens geobserveerd dat de diftongering nog steeds productief is: hij is ook van toepassing in het voor het Sittards volstrekt nieuwe woord diftongeiering. Die dialectsprekers werden niet gehinderd door positivisme, en wilden juist heel graag een verklaring horen.

Die verklaring moet volgens Dols gevonden worden in het concept 'Sprachgeist': elk taalsysteem heeft zo zijn eigen voorkeuren en antipathieën, op basis waarvan het veranderingen doorvoert. Dols observeert dat er in het Sittards onafhankelijk van de diftongering al veel meer zogenaamd vallende diftongen zoals ei, ui, ou en au zijn dan in de omliggende dialecten (die meer centraliserende diftongen hebben: ee-eh, etc.) De Sittardse Sprachgeist houdt van vallende diftongen: hoe meer, hoe beter.

Deze verklaring moet genuanceerd worden. Alleen valtonen diftongeren immers; helaas zegt Dols hier niets over in dit verband. Toch past een valtoon goed bij een vallende diftong: ze hebben als het ware hetzelfde fonetische profiel. Een vallende diftong begint met een relatief lage klinker (a, o, e zijn klinkers waarbij de kaak een relatief lage stand heeft) en eindigt met een relatief hoge klinker (bij ie, uu, oe staat de onderkaak relatief laag). Nu is bekend dat lage klinkers in talen van de wereld een voorkeur hebben voor lage tonen, en hoge klinkers voor hoge tonen. Aan die neiging geeft het Sittards echter niet toe. Het is ook bekend dat lage klinkers 'sonoorder' zijn, en dus prominenter, dan hoge klinkers, en dat hoge tonen een voorkeur hebben voor prominente, en lage tonen voor minder prominente posities in de metrische structuur. Aan die verleiding heeft het Sittards dan weer wel toegegeven, terwijl diezelfde neiging kennelijk niet in de Sprachgeist van de andere dialecten besloten zat.

Om uit te kunnen zoeken hoe dit precies zit, en om de tientallen andere vragen die dit proefschrift oproept te kunnen onderzoeken, zouden we eigenlijk veel meer moeten weten over wat er gebeurd is in het Sittards in de vijfenvijftig jaar sinds Dols zijn proefschrift schreef. Heeft de diftongering doorgezet? Is zij ook van toepassing geworden op sommige van de klassen van uitzonderingen die hij noemt? Ik ben bang dat er veel onderzoek nodig is, want voor zover ik weet, is er op Dols' werk niet voortgebouwd. Dat is een van de vele tragedies die het leven van Willy Dols omgeven: hij heeft een briljant proefschrift geschreven dat bijna niemand kent en waarmee eigenlijk nooit iets is gedaan.

Marc van Oostendorp
(oostendorp@rullet.leidenuniv.nl)

De biografische gegevens over Willy Dols zijn ontleend aan het In Memoriam Willy Dols, litt.drs., dat J.C. van de Bergh opnam als inleiding bij zijn postume editie van Dols' dissertatie (Sittardse diftongering; Een hoofdstuk uit de historische grammatica. Alberts' Drukkerijen, Sittard, 1953.)











zondag 7 juni 1998

Een onderzoek naar linguïstische competenties in de LOT-prijsvraag

In deze bijdrage willen we ingaan op de vraag wat de mogelijke factoren zijn die veroorzaken dat een proportioneel groot aantal publicaties van neerlandici slechts door een kleine groep belangstellenden gelezen wordt. We richten ons hierbij in de eerste plaats op de volgende in de literatuur nog nauwelijks onderzochte, maar daarom niet minder relevante deelvraag: is het het geval dat een linguïstische opleiding ook een grotere linguïstische competentie tot gevolg heeft? Hierbij is de term 'competentie' een technische term die ontleend is aan de theoretische linguïstiek en die daarom voor een breder publiek in eerste instantie een nadere uitleg verdient. Uit de vakliteratuur kunnen we opmaken dat de term verwijst naar de totale hoeveelheid van kennis en vaardigheden, mogelijkerwijs deels onbewust aanwezig, die een mentale representatie heeft gekregen in de geest van de spreker of -- zoals in dit concrete geval -- van de schrijver. Het is overigens van belang om op te merken dat het hier een zogeheten 'leenvertaling' uit het Amerikaans Engels betreft, al kunnen we op deze kwestie niet nader ingaan, vanwege de aan dit artikel toegekende hoeveelheid ruimte.

De hierboven geformuleerde vraag is op dit moment in zoverre actueel en daarom geschikt voor een populariserend betoog, dat de Landelijke Onderzoeksschool Taalkunde (in de wandelgangen ook wel kortweg LOT genoemd) dit jaar voor de derde keer een 'prijsvraag' heeft uitgeschreven waarin ze alle onderzoekers die bij deze organisatie zijn aangesloten, opgeroepen heeft om een essay te schrijven dat 'recent taalkundig onderzoek' tot thema heeft en dat op een dusdanige manier geschreven zal moeten zijn dat het geschikt mag worden geacht voor een breder publiek, dat wil zeggen een publiek zonder speciale linguïstische training of professionele achtergrond. We mogen veronderstellen dat ook dit jaar weer vele onderzoekers een poging zullen doen de hierboven genoemde prijs in de wacht te slepen, en dat ze hierbij niet zullen schromen hun linguïstische competentie (definitie: zie boven) in te zetten.

Om een antwoord te kunnen formuleren op de in het voorafgaande gestelde vraag, hebben we het oor te luisteren gelegd bij enige personen die in vorige jaren deel uitmaakten van de jury van de prijsvraag van LOT en die we om redenen die te maken hebben met privacy zullen aanduiden met de kapitalen A en B. De vraag die aan deze personen werd voorgelegd luidde letterlijk als volgt: 'Wat vond u -- of wat vonden jullie -- van de kwaliteit van de inzendingen zoals ze in het voorafgaande jaar gepleegd zijn door de kandidaten, als we daarbij even afzien van de kwaliteit van de inzending van Jan Don, die, zoals bekend, zijn artikel bekroond zag met een prijs, en deze eerder genoemde inzending vervolgens ook daadwerkelijk gepubliceerd heeft mogen zien in een landelijk verspreide krant?'

Omdat dit een populariserende bijdrage is, kunnen we hier niet nader ingaan op de precieze manier waarop de antwoorden van de ondervraagde personen statistisch verwerkt zijn. De geïnteresseerde lezer wordt in dit verband graag uitgenodigd zijn of haar tanden op elkaar te zetten en een blik te werpen op Van Oostendorp (ms) in de bibliografie. Opvallend was in ieder geval het gevonden feit dat beide itees van mening waren dat de meeste van de ingestuurde bijdragen meer woorden bevatten dan ideeën. Zowel itee A als itee B bleek van mening dat vrijwel alle bijdragen met de helft hadden kunnen worden ingekort zonder dat dit de inhoud van de artikelen had geschaad. Dit is des te opmerkelijker omdat een dergelijke scheve verhouding in de puur wetenschappelijke artikelen van de inzenders in het onderzoek tot op heden nog niet werd aangetroffen; in dat wetenschappelijk werk is om het kort-door-de-bocht uit te drukken de ratio tussen idee en woord een geheel andere. Naar de mening van itee A had drastische inkorting de inzendingen zelfs waarschijnlijk goed gedaan. Toen we itee B in een informele setting (gesprekssituatie in de koffiekamer van een Nederlandse universiteit) met deze opinie confronteerden, bleek hij of zij bereid te zijn deze te onderschrijven, waarbij hij of zij de aantekening plaatste dat sommige ingezonden stukken pas echt leesbaar waren geworden als de hoeveelheid geschrapte woorden tussen vijfennegentig en honderd procent zou bedragen.

Uit het onderzoek kwam ook naar voren dat de meeste itees van mening waren dat de schrijvers -- anders dan tot nu toe werd aangenomen door o.m. een groep deskundigen aan de Technische Universiteit Eindhoven -- onvoldoende hun best hadden gedaan om zich te verplaatsen in het standpunt van de geïnteresseerde lezer. Terwijl de personen die met een onsympathieke term wel als 'leken' worden aangeduid, bijzonder veel belangstelling tonen voor talige fenomenen, bleken de schrijvers van de artikelen niet in staat enig enthousiasme over te dragen. Itee B merkte in dit verband op dat naar zijn indruk veel inzenders zich verstrikten in theorie-interne beschouwingen. Bij wijze van sprekend voorbeeld meldde hij het volgende: 'tot nu toe werd in de wetenschap altijd aangenomen dat de zinsconstructie x dezelfde structuur heeft als zinsconstructie y (bijv. m-command), maar uit ons onderzoek is gebleken dat dit niet juist is, en dat er veel meer redenen zijn om te veronderstellen dat de constructie enkele eigenschappen gemeen heeft met zinsconstructie z. Dit is verheugend omdat het bijdraagt aan de taalkundige school die aanneemt dat m-command geen deel uitmaakt van het instrumentarium dat ons voor linguïstisch onderzoek ter beschikking staat.' Volgens het betoog van itee B doet men er in een dergelijk geval beter aan om de verwijzingen naar zinsconstructie y en m-command weg te laten, omdat opvallend veel mensen niet zo erg geïnteresseerd zijn in de discussies die taalkundigen onderling voeren -- dit terwijl de meeste taalkundigen aannemen dat eigenlijk iedereen alleen maar in dat onderwerp geïnteresseerd zou kunnen zijn.

Samenvattend kunnen we concluderen dat linguïsten over het algemeen niet over een bijzonder grote linguïstische competentie beschikken, of althans, dat dit niet blijkt uit het wetenschappelijk onderzoek dat zijn beschrijving vindt in deze bijdrage. Het stemt tot verheugenis dat de organisatie van de Landelijke Onderzoeksschool Taalkunde ervoor heeft gekozen ook dit jaar een soortgelijke steekproef te ondernemen waarbij soortgelijke vragen aan een linguïstisch onderzoek onderworpen kunnen worden.

Marc van Oostendorp

woensdag 6 mei 1998

Waar wachten we nog op?

Om te zien wat de toekomst van de neerlandistiek is, heb ik tijdens de laatste koninginnedag langs de Oudegracht in Utrecht gewandeld. Dat viel niet mee: er waren veel meer mensen op hetzelfde moment langs dezelfde gracht aan het wandelen, al had ik niet de indruk dat die mensen allemaal vooruitgestuwd werden door de vraag wat unbidan we nu.

In het centrum van Utrecht woont en werkt Arjan den Boer. Hij heeft er een appartementje waarin hij naast het aanrecht een groot bureau heeft staan met een snelle computer, een groot beeldscherm, twee luidsprekers en een scanner. Achter dat bureau maakt hij cd-roms en websites voor musea, voor kunsthandelaren en voor archeologische verenigingen. Heel mooi, vind ik het werk van Den Boer: smaakvol vormgegeven en technisch knap.

Nu heeft hij een nieuw plan: hij wil een cd-rom maken met Nederlandse literatuur; een ruime bibliotheek met teksten van Van Veldeken tot en met de Tachtigers, aangevuld met veel afbeeldingen, portretten, illustraties en een uitgebreid geluidsarchief: een uur lang Nederlandse liederen op muziek, en een uur lang door een prominente literatuurkenner of acteur voorgelezen teksten. Van de meeste teksten zullen er goede samenvattingen te vinden zijn. Voor Sinterklaas moet die cd er zijn en ik denk dat dat het Den Boer gaat lukken. Zoals het er nu naar uitziet, heeft hij in de loop van deze maand een contract met een grote uitgever die ook multimedia-titels voert, en de bekende Nederlandse stem heeft hij ook al geregeld. Ik ging naar Utrecht omdat Den Boer het meeste materiaal van de Coster-site wil overnemen. Dat krijgt hij, maar op de cd komt drie of vier keer zoveel te staan. Degene die dit schijfje koopt krijgt in een keer meer literatuur op zijn computer dan er op papier in leesedities in de boekwinkel te vinden is. Dit wordt misschien wel de grootste Nederlandse tekstenverzameling die er ooit te koop is geweest.

Ik weet ook hoe de neerlandistiek zal reageren: niet. Er verschijnt misschien een stukje in Noordzee over dat de edities onbruikbaar zijn voor wetenschappelijk onderzoek en een berichtje in Nederlandse Letterkunde, ook over hoe slecht de edities zijn, en hoe groot het verlangen is van de auteur van het stukje naar betere edities. Het probleem is dat goede edities alleen door vakmensen gemaakt kunnen worden en dat die vakmensen geneigd zijn nog een beetje te unbidan als het niet door NWO of door de Taalunie gesubsidieerd wordt. Ik hoop ook een keer op een cd met echt fraaie edities. Maar voor het zover is, wil ik het de komende tien jaar nog wel met dit product doen.

En zo komt de belangrijkste uitgave op dit vakgebied niet van enig academisch instituut, niet van een grote uitgever, maar van een appartementje aan de Oudegracht, waar een man die is afgestudeerd bij Algemene Letteren in zijn eentje tot stand brengt wat ons allemaal niet is gelukt: een aantrekkelijke cd maken over de Nederlandse literatuur die straks hopelijk een groot publiek bereikt. Arjan den Boer heeft nog mensen (bijvoorbeeld studenten) nodig die hem tegen vergoeding willen helpen met het scannen en controleren van teksten. Waar wachten we nog op?

Marc van Oostendorp (oostendorp@rullet.leidenuniv.nl)




zaterdag 7 maart 1998

Nieuwe woorden

In Onze Taal wordt sinds enige tijd een discussie gevoerd over de vraag hoe snel de woordenschat van het Nederlands groeit. Vorig jaar schreef Frank Jansen in het blad dat er zestig woorden per dag bij komen. Een paar maanden later schreef Joop van der Horst in het onzetaalboek Taalalmanak dat deze telling overdreven was: volgens hem komt er maar één woord per dag bij. In het laatste nummer van het blad komt Jansen dan weer op de kwestie terug. Volgens hem was zijn schatting eerder te laag dan te hoog.

Een opmerkelijk aspect aan de hele discussie is dat ze zo duidelijk vanachter de leestafel wordt gevoerd. Jansen en Van der Horst `bewijzen' hun stellingen door nummers van NRC Handelsblad en enkele andere kranten door te nemen, en de woorden die ze vinden te vergelijken met de woorden in gedrukte woordenboeken. Woorden op radio en woorden op televisie tellen niet mee, en de woorden op Internet evenmin.

Terwijl de laatste zo gemakkelijk te tellen zijn. In zijn laatste artikel geeft Jansen 54 voorbeelden van 'nieuwe' woorden die hij gevonden heeft in enkele katernen van NRC Handelsblad, Het Parool, het Algemeen Dagblad en De Telegraaf, allemaal verschenen op 14 november 1997. Hij moet die katernen zeer nauwkeurig zelf hebben doorgenomen. Voor een zoektocht op Internet is dat allemaal niet nodig; daar kan een zoekmachine, een speciaal programma dat een index over tientallen miljoenen webpagina's bijhoudt, in een handomdraai het nodige werk doen.

Ik heb de proef op de som genomen. De 54 woorden die Jansen noemt heb ik ingevoerd in enkele bekende zoekmachines op Internet -- AltaVista (http://www.altavista.digital.com) en Hotbot (http://www.hotbot.com/) en het Nederlandse Vindex (http://www.webwereld.nl/). Vervolgens heb ik alle documenten weggefilterd die op of na 14 november 1997 verschenen. Ik vond bijvoorbeeld twee van de door Jansen geraadpleegde artikelen uit de NRC in de webeditie terug, maar deze telde ik natuurlijk niet mee. Uiteindelijk hield ik 23 woorden over die volgens Jansen op 14 november 1997 nieuw waren, maar die op die dag al kortere of langere tijd via Internet gevonden konden worden: dat is 43 procent. Daarbij valt nog aan te tekenen dat deze drie zoekmachines zeker niet alle pagina's op Internet geïndexeerd hebben.

Hieronder geef ik een lijst van de 54 woorden die Jansen in zijn laatste artikel noemt; erachter geef ik het aantal Nederlandstalige vindplaatsen (woorden als EU-Minister werden ook gevonden op Duitstalige websites) dat de genoemde zoekmachines mij opleverden, en een representatief voorbeeld van een dergelijke vindplaats:


rijstzaak/rijst-zaak0
reli-zapper/relizapper0
jazz-timing/jazztiming0






D66-fractieleider
10
http://www.nrc.nl/W2/Nieuws/1997/05/31/Vp/01.html
HMG-directie
8
http://www.pi.net/computer/multim/
11-6-97/mm11-6-97g.html

SRV-bende
0

EU-minister
34
http://www.minjust.nl/c_actual/persber/pb104.htm
VN-ambassadeur
18
http://www.vum.be/dsifvnkris.html
VN-chef
51
http://www.vum.be/dsifwef2.html
VN-commissie
23
http://www.antenna.nl/wvi/nl/ic/mr/mrnl/est32.html
VN-contributie
1
http://www.dailynews.nl/zondag061096/
buitenland/vsvn.htm

VN-gebouw
3
http://www.milieudefensie.nl/julaug96/set.htm
VN-inspecteur
0

VN-resolutie
22
http://wwwdb.europarl.eu.int/dg7/questions/
qe/97/qr/C83/nl/E-2352-96.htm

VN-tribunaal
33
http://sascha.esrac.ele.tue.nl/~ivo/groepsspelen/vn.html
Vestdijk-lezer
0

goede-in-het-algemeen
0

Nederlands-Surinaams
0

Turks/Koerdische
17
http://194.7.253.55/nbifmedtv2.html
zuid-zuidrelatie
0

ad-hocgezelschap
1
http://www.music-meeting.nl/verslag.htm
tripletherapie
1
http://www.nrc.nl/W2/Nieuws/1997/05/16/Opi/01.html
branche-exclusiviteit
7
http://ww.cci.be/brussels/nno35217.html
mediacontract
3
http://mediamaat.atn.nl/
segmentsponsoring
0

sponsorpot
5
http://www.kun.nl/mycelium/reunisten.html
STER-blok
20
http://www.ster.nl/nieuws/persbericht/pers9.html
WK-wedstrijd
3
http://www.rotterdamsdagblad.nl:81/html/001455.html
afscheidsgrap
0

arbo-kritiek
0

bewust-coma
0

ex-veteranendienstplichtige
0

letselschade-advocaat
7
http://www.am.sbi.nl/nieuws/221/221d.htm
St. Maarten-cadeau
0

zelfhelpboek
5
http://home.wxs.nl/~abnervos/bestel.htm
losstraat
0

vlammenmelder
1
http://www.siemens.nl/produkt/gebouw/p3050047.htm
VN-wapeninspecteur
0

box-butler
0

unit-eigenaar
0

verwenunit
0

vip-box
0

vip-boxhouder
0

hetero-stel
3
http://www.telegraaf.nl/krant/naslag/
filmrecensies/film.hollowreed.html

heterosamenleving
0

homonest
0

elandtest
0

lijkenhond
0

zwaan-kleef-aan-dynamiek
0

transdisciplinair
1
http://www2.netcetera.nl/~iaaa/inaugure.html
Aziatisch-economisch
0

ex-B-verpleegkundige
0

A2000-partner
0

thuisservice
0

herhalingsdader
0


Jansens conclusie wordt door deze bevindingen uiteraard niet ondermijnd. Misschien staan er elke dag minder nieuwe woorden in de krant als we Internet in de beschouwingen betrekken, maar daar staat tegenover dat alle Internet-communicatie zelf waarschijnlijk ook weer aan veel nieuwe woorden het licht doet zien. Het is best mogelijk dat we alles bij elkaar dan nog steeds op een getal uitkomen dat groter is dan 60.

Voor goed onderzoek hebben we een Internet-programmaatje nodig dat elke dag permanent het Internet afgraast op zoek naar nieuwe woorden. Zo'n programma heeft een module die automatisch herkent in welke taal een webpagina of een bericht in een nieuwsgroep gesteld is (het zoekprogramma AltaVista heeft zo'n module al); verder houdt het uiteraard een woordenlijst bij van woorden die het al kent. Elk etmaal genereert het programma een lijst met nieuw gevonden woorden.

De eerste maanden moet het programma getraind worden en vindt het overdreven veel 'nieuwe woorden', maar na een paar testweken zijn de resultaten bruikbaar voor onderzoek. We moeten dan alleen nog uitvinden welk percentage van het web en van de nieuwsgroepen ongeveer per dag door het programma bezocht en we weten hoeveel nieuwe woorden er per dag bijkomen op Internet. Op het dagelijkse nieuwewoordenbulletin die dat programma elke dag verstuurt, zal ik me onmiddellijk abonneren.

Marc van Oostendorp


woensdag 11 februari 1998

Theo Welpen

Onverhoeds haalde de man die in de trein tegenover me zat het laatste nummer van Nederlandse Taalkunde tevoorschijn. Ik keek nog eens goed: ik wist zeker dat ik deze man nog nooit op de TiN-dag had gezien. Kennelijk had hij in de gaten dat ik hem bespiedde want hij keek op en glimlachte.

'Het nieuwste nummer van Nederlandse Taalkunde,' zei ik. 'Ja', zei hij. 'Kent u dat blad?' Ik legde uit dat ik in een ver verleden wel eens een recensie van een proefschrift bij de redactie van NT had ingeleverd en dat dit stuk nog steeds op publicatie wachtte.

'Ach,' zei hij. 'U bent ook taalkundige. Nu ja. Er staan deze keer mooie stukken in hoor; maar liefst twee artikelen over de /h/ bijvoorbeeld. Dat vindt u misschien vreemd, maar daar smul ik van!'
Nu had ik al gehoord dat er artikelen zouden verschijnen van Trommelen & Zonneveld en Nijen Twilhaar, maar ik had nog niets gezien. 'Wat schrijven ze?' vroeg ik.

'Als ik het goed begrijp is de h volgens Nijen Twilhaar en die anderen helemaal geen medeklinker, maar alleen een kenmerk [-stem] op de klinker. Dat is op zichzelf natuurlijk geen nieuws, de oude Grieken wisten het al, maar deze auteurs zetten een aantal argumenten voor deze hypothese op een rijtje.'

De man stond op en pakte een bruine aktetas uit het bagagerek. 'Hun argumentatie is voornamelijk gebaseerd op het feit dat lettergrepen die met een h beginnen zich gedragen als onsetloze lettergrepen. Dat komt volgens hen doordat dergelijke lettergrepen onsetloos zijn. Kunt u mij nog volgen?' Ik knikte. Uit zijn aktetas pakte de man een degelijk opschrijfboek en een potlood en tekende twee lettergrepen:

             S                S

             |                |

             R                R

             |                |

             a                a

                              |

                       [-stem][+stem]

'Dit zijn de lettergrepen [a] en [ha] volgens Trommelen en Zonneveld. Een voorbeeld van een verschijnsel waarbij beide lettergrepen zich hetzelfde gedragen is reductie. Normaal gesproken kunnen de klinkers van onbeklemtoonde lettergrepen gereduceerd worden tot sjwa: /reformer/ wordt [r@former]. Een uitzondering hierop zijn echter onsetloze lettergrepen: de e in /egal/ blijft altijd een e. Een andere klasse van uitzonderingen zijn de lettergrepen die beginnen met een h: de e in /helas/ blijft ook altijd een e, hoe informeel je ook spreekt.

Op dezelfde manier geven die Utrechters nog enkele meer of minder sterke argumenten voor de overeenkomsten tussen /a/ en /h/. Bent u enigszins bekend met deze materie?' Ik haalde mijn schouders op en mompelde wat. 'Toch lijkt me hun conclusie overhaast. Ze beweren dat ze hiermee hebben aangetoond dat 'binnen de syllabe de constituent waardoor h onmiddellijk gedomineerd wordt niet de Onset maar het Rijm is.' Hij tikte met zijn potlood op het opengeslagen tijdschrift.

'Maar die conclusie is toch helemaal niet onoverkomelijk? Hij lijkt me gebaseerd op een ongefundeerde aanname, namelijk dat de lettergreep a geen onset heeft.'

'Misschien hebt u gelijk,' gaf ik toe. 'Het is best mogelijk om vol te houden dat ook de lettergreep /a/ met een onset begint, waarin dan bijvoorbeeld een glottale stop zit. De overeenkomst tussen [?a] en [ha] is dan dat deze onset nagenoeg leeg is.' De man tekende driftig de vereiste structuren:


                S                  S

              /   \              /   \

             O     R            O     R

             |     |            |     |

             ?     a            h     a

'En daarmee zijn al die feiten die men in Utrecht bestudeerde toch ook te verklaren? Dat begrijp ik nu niet. Net zoals ik niet begrijp hoe zij denken verklaard te hebben dat een h niet aan het eind van een lettergreep kan voorkomen. Als een klinker gespecificeerd kan zijn als [-stem][+stem] kan hij toch ook gespecificeerd zijn als [+stem][-stem]?'

'Ik weet het niet', bekende ik. 'Ik heb het artikel niet gelezen. De man glimlachte weer. 'Mag ik u nu iets vragen?' zei ik. 'Waarom stelt u eigenlijk belang in deze kwestie?'

'Nu, eigenlijk ben ik econoom,' zei hij. 'Ik probeer de taalkunde een beetje bij te houden, als hobby. Als je zo'n artikel leest, waarin zoveel voorbeelden gegeven worden, dan begin je automatisch na te denken over tegenvoorbeelden en mogelijke andere analyses. En u?'

'Ik ben wel taalkundige,' zei ik, en ik noemde mijn naam.

'Uw beroep had ik al geraden,' zei de man. 'Ik ben bang dat ik van uw werk nog nooit gehoord heb. Ik heet overigens Theo Welpen.' Die naam kwam mij wel bekend voor, maar thuisbrengen kon ik hem niet.

Marc van Oostendorp
















vrijdag 23 januari 1998

De psychologie van de juryvoorzitter

Om de hoofdprijs van de kerstprijsvraag van Neder-L in de wacht te slepen, is alles geoorloofd. Eén deelnemer had zich er dit jaar op toegelegd de ziel van de maker van de prijsvraag te doorvorsen. Deze deelnemer had mijn eigen webpagina uitvoerig bestudeerd en zo gevonden wat mijn favoriete zoekmachine was, en op welke pagina's ik mijn favorieten bijhield. `Zeg mij wie de vragen heeft bedacht en ik zal u zeggen wat de antwoorden zijn,' schreef die deelnemer.
Voor de tweede keer vorig jaar organiseerde ik een Internet-prijsvraag voor neerlandici. Ik stelde 12 vragen; de deelnemers werden geacht de plaats op het net aan te wijzen waar het juiste antwoord te vinden zou zijn.

Vorig jaar waren er drie deelnemers geweest die een min of meer acceptabele verzameling antwoorden hadden ingestuurd. Deze keer dongen vijf lezers van Neder-L mee naar de hoofdprijs.
Inderdaad bleek het wat moeilijker om goede vragen te formuleren dan vorig jaar. Het Internet begint meer structuur te krijgen, en met een combinatie van drie hulpmiddelen bleek vrijwel alles te vinden te zijn (de algemene zoekrobot HotBot, http://www.hotbot.com/; het archief van Neder-L, http://www.neder-l.nl/; en de verzameling koppelingen van Onze Taal, http://www.onzetaal.nl/.

De antwoorden

  1. Welke prijs heeft de schrijver Abdelkader Benali onlangs gewonnen voor zijn boek Bruiloft aan zee?
    De Geertjan Lubberhuizenprijs.
    Behalve op Schrijversnet (http://www.schrijversnet.nl/nieuws/nieuwsdecember97.htm), waar ik het zelf zag, bleek dit antwoord ook bij de Vlaamse website azur.be (http://www.azur.be/boeken/pages/lprijzen.htm) en het NBLC (http://www.nblc.nl/biblioweb/litagenda.html) te vinden te zijn. Van die laatste pagina is de informatie ondertussen overigens alweer verdwenen.


  2. Wat was het onderwerp van de lezing die Marijke van der Wal hield op 3 mei 1995 aan de Universiteit van Pisa?
    Het begin van de Nederlandse standaardtaal.
    Deze vraag bleek het grootste struikelblok. Een paar kandidaten lieten hem onbeantwoord, anderen gaven toe dat ze lang hadden moeten zoeken. Deelneemster Petra Ploeg schreef dat ze ondertussen wel had ontdekt dat een Marijke van der Wal penningmeester was van een Bloedhondenclub. Zij gaat daarbij tevens over puppie-bemiddeling en over te plaatsen honden. Het juiste antwoord was echter te vinden in de elektronische META (http://wwwlet.leidenuniv.nl/www.let.data/Dutch/Meta/META104.html).


  3. Wat betekent het zelfstandig naamwoord 'curare'?
    Pijlgif van de Zuid-Amerikaanse indianen, gebruikt bij de moderne narcose.
    Dit antwoord is te vinden in de online versie van Van Dale Hedendaags Nederlands: http://www.vandale.nl/current/. Een deelnemer gaf de definitie van dit woord voor het Engels uit een Nieuw-Zeelandse website: http://vif27.icair.iac.org.nz/Facts/curare.htm Uiteindelijk heb ik dit antwoord toch goed gerekend; dan had ik in de formulering van de vraag maar duidelijk moeten maken dat het ons om een Nederlands woord te doen was.


  4. Hoeveel bedraagt de contributie voor een buitengewoon lid van de IVN?
    Het antwoord op deze vraag werd door alle deelnemers gevonden: fl. 80,= (of BEF 1500,=). Dit is te vinden op http://www.worldaccess.nl/~ivnnl/.


  5. In welk(e) Nederlands(e) dialect(en) is 'intercliticisatie' als in (i) toegestaan?
    (i) Hoeveel rekendiede daar nou voor? (=Hoeveel rekende die daar nu voor?)

    In de dialecten van Zuid-Holland en Utrecht en in een variant van het Fries.
    Enigszins tot mijn verassing bleek ook deze vraag geen echt probleem. Ik had de term 'intercliticisatie' zelf bedacht, maar niemand liet zich hierdoor om de tuin leiden. De tekst van de scriptie bleek door de zoekmachine AltaVista geïndexeerd; zoeken op 'rekendiede' leverde het gewenste resultaat: het antwoord was te vinden in een scriptie van Margriet Flikweerd. In Utrecht plaatst men dit soort scripties tegenwoordig op het web: http://iris.cc.ruu.nl/iris/iris1/Publikaties/LB/SCR/NED/1994/pronomen.html


  6. Wat is het e-mailadres van Jan-Wouter Zwart?
    Iedereen wist dat dat zwart@let.rug.nl was
    Het antwoord is te vinden op Zwarts eigen pagina in Groningen: http://www.let.rug.nl/Linguistics/Zwart.html Een deelneemster vond overigens een foutje in de elektronische e-mailgids die men in Groningen aanbiedt. Daar schrijft men Zwarts naam als dr. C.J.W. de Zwart. Dat maakt deze taalkundige iets moeilijker te vinden.


  7. Noem drie romans van W.F. Hermans die in het Duits zijn vertaald.
    1. Nooit meer slapen (Nie mehr schlafen : Roman. Diogenes, 1986),
    2. De tranen der acacia's (Die Tränen der Akazien. Melzer, 1968)
    3. Onder professoren (Unter Professoren : Roman. Diogenes, 1986).
    Dit antwoord bleek op twee geheel verschillende manieren te vinden. Ik had zelf gedacht aan de Weense databank met Nederlandse literatuur in Duitse vertaling (http://rs6000.univie.ac.at/cgi-bin/user/a7511uab/me/hyper2.cgi?fi=biblio&opt1=primbib&opt4=kurz). De meeste zoekers kwamen daar uiteindelijk ook uit, maar Berry Dongelmans keek bij Pica op het OBN (www.pica.nl/obn). "Dat was wel even bladeren. Vooral dat je `Duits' ook buiten Duitsland vindt, was even een prettige tik op de vingers, als je ziet dat twee van de drie in Zwitserland zijn verschenen." Toch vond ook Dongelmans het juiste antwoord uiteindelijk.


  8. Hoe heet gedeelte van het orgel dat zich in de onderbouw van de orgelkast bevindt en dat zachter klinkt dan de andere werken/klavieren van het orgel?
    Echowerk.
    Dit is bijna door iedereen gevonden op http://elektron.et.tudelft.nl/~pvk/orgwoord.htm. Dit woordenlijstje was zelf te vinden via de pagina met verwijzingen van Onze Taal (http://www.onzetaal.nl/koppling/woorden.htm)


  9. Wie heeft model gestaan voor de romanfiguur Henk Wigbold in de romancyclus van Voskuil?
    Herman Zweers.
    Gelukkig kon iedereen zich nog herinneren dat Neder-L de afgelopen zomer een 'Wie is wie in Het Bureau' publiceerde: http://www.neder-l.nl/970716.html. Het juiste artikel was snel op te zoeken met de nieuwe zoekmachine (http://listserv.surfnet.nl/scripts/wa.exe?S1=neder-l), die er overigens nog niet was toen de vraag geformuleerd werd.


  10. Veel varianten van het Nederlands kennen een regel van woordfinale t-deletie ('kas' in plaats van 'kast'). Hoe zit dit met het Petjo?
    Eind-d en -t van werkwoordsvormen worden in het Petjo vaak weggelaten.
    Deze vraag bleek bijzonder lastig te beantwoorden. Er zaten weinig aanknopingspunten in de vraag over de juiste plaats om te zoeken. Bovendien was het antwoord geformuleerd op een Duitstalige pagina (http://lucy.ukc.ac.uk/lien/lienchapter2_1.html). Dat verwacht de gemiddelde zoeker kennelijk niet.


  11. In welk jaar schreef Constantijn Huygens de volgende regels:
    Wel voeld' ick vander jeughd daer was een dieper grond
    Die mij aen Tesselscha oorspronckelick verbond:
    Wel tuyghde mij mijn hert, daer was wat meer als Sterren
    Dat hem in Tesselschaes de'e twijnen en verwerren.

    1642.
    De juryvoorzitter meent dat het nodig is om de hand in eigen boezem te steken. Er zat misschien een beetje veel Leiden in de prijsvraag van dit jaar. In ieder geval heeft het Huygens-archief op http://iias.leidenuniv.nl/huygens/frame4.html een zoekmachine. Een beetje handig de steekwoorden kiezen geeft al snel het juiste antwoord.


  12. In welk jaar gebruikte Anna Barbara van Meerten-Schiperoort voor het laatst de lunch in haar tuin in Gouda?
    1853.
    Hier raakten sommige deelnemers in verwarring. Sommigen lazen bij de tentoonstelling 'Honderd Hoogtepunten' van de KB (bijvoorbeeld http://ftp.konbib.nl/kb/100hoogte/hh-en/hh072-en.html) dat Anna Barbara van Meerten-Schilperoort in 1853 overleed. Zij gingen er voor het gemak van uit dat dit dan ook het laatste jaar was waarin zij thee dronk. Al deze deelnemers konden het niet laten de jury er fijntjes op te wijzen dat er een spelfout was gemaakt in de naam: die had Van Meerten-Schilperoort moeten luiden.
    De door hen gevolgde redenering en zoekmethode leverde weliswaar het juiste antwoord op, maar is door de jury uiteindelijk toch niet goed gerekend. Het is immers heel wel mogelijk dat iemand thee in haar tuin drinkt, en vervolgens een aantal jaar droogstaat voordat ze sterft. Het juiste antwoord was dan ook alleen te vinden bij Neder-L: op http://www.neder-l.nl/tijdschriften/nedlet.html vertelt Karel Bostoen: 'Zij was zo verzot op de gezonde buitenlucht van Gouda, dat ze haar lunch steevast in de tuin gebruikte. Voor het laatst in februari 1853, waarop ze overleed aan een koutje, dat zich had ontwikkeld tot een borstvliesontsteking.' Bostoen maakte daarbij inderdaad waarschijnlijk een tikfout van de naam van mevrouw Van Merten.

De winnaar

De kwaliteit van de antwoorden was deze keer bijzonder hoog. Met name de laatste vraag heeft uiteindelijk de doorslaggegeven. Er was maar een deelnemer die alle antwoorden goed beantwoord had: Petra Ploeg, documentalist van de letterencollectie van de Katholieke Universiteit Brabant. Het feit dat zij de felbegeerde Neder-L-mok wint doet de jury bijzonder veel deugd: omdat zij de eerste was die haar antwoorden inzond; omdat zij de enige deelnemer was die ook vorig jaar al een poging deed; en omdat het haar vorige keer niet lukte en deze keer wel. De mok is onderweg.
Marc van Oostendorp