Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 24 december 1999

Millenniumprijsvraag 1999: Wandelen van Oud naar Nieuw

Een traditie moet van tijd tot tijd veranderen. Toen het instituut van de Grote Neder-L Kerstprijsvraag enkele jaren geleden werd ingesteld, besloot de jury deze prijsvraag de vorm te geven van twaalf vragen over de Nederlandse taal en literatuur, waarop de deelnemers een antwoord moesten vinden met gebruikmaking van het Internet.

De kerstprijsvraag van 1998 leverde in drie opzichten een groot schandaal op. In de eerste plaats deden er slechts twee personen mee, in de tweede plaats wonnen allebei deze personen de hoofdprijs, in de derde plaats hebben allebei de winnaars door een administratieve vergissing hun hoofdprijs nooit ontvangen.

Zo kon het niet langer, besloot daarom onlangs de het bestuur van de stichting. De vorige jury werd van haar taken ontheven, er werd een nieuwe jury geformeerd die de moeilijke taak kreeg een nieuwe formule te bedenken "die ook de jongeren in het studiehuis zou aanspreken" en de inderhaast samengestelde nieuwe jury verbond zich ertoe om de hoofdprijs van dit jaar in ieder geval ook uit te reiken aan de deelnemers van het vorige jaar, en dat op zo kort mogelijke termijn.

De Grote Neder-L Millenniumprijsvraag heeft niet langer de vorm van een oubollige kwis. De tijd dat je al een wizzkid moest zijn om iets op het Internet te kunnen vinden is voorgoed voorbij. Bovendien vindt de jury het nodig om ook de creatieve gaven van de deelnemers dit jaar aan te spreken. Een laatste voorwaarde was dat ook in Neder-L nu eindelijk eens aandacht moest worden besteed aan de hoe dan ook met rasse schreden naderende millenniumwisseling, al was het maar in de vorm van een verwijzing naar de rijke historie.

Het geheel nieuwe opgaveconcept luidt: maak een virtuele wandeling over het Internet van 'oud' naar 'nieuw'. 'Oud' staat in dit verband voor een digitale editie van het fragment 'hebben olla uogala nestas hagunnan hinase hic anda thu uuat unbidan uue nu', dat u ergens op Internet kunt vinden en dat we voor het gemak zullen beschouwen als de eerste Nederlandstalige tekst. 'Nieuw' staat voor het laatste artikel uit Neder-L van dit jaar (uitgezonderd het tijdschriftenoverzicht), dat wil zeggen de column van Willem Kuiper, die het einde van het millennium behandelt. De wandeling moet een manier zijn om van het ene document naar het andere te komen door alleen maar hyperlinks te volgen; iemand die op het begindocument begint en vervolgens alleen zijn muis gebruikt, moet de wandeling kunnen volgen om uiteindeijk op het einddocument uit te komen.

Onderweg moeten in chronologische volgorde minstens vijf hoogtepunten uit de Nederlandse taal- of literatuurgeschiedenis worden aangedaan. Deze hoogtepunten moeten gepresenteerd zijn op websites die (a) al bestaan op het moment dat deze wedstrijd gepubliceerd wordt, (b) elk op een andere servercomputer staan (u mag dus bijvoorbeeld hooguit een van de pagina's van de Koninklijke Bibliotheek als hoogtepunt aanmerken). Waarschijnlijk hebt u telkens enkele tussenliggende stappen nodig om van het ene hoogtepunt naar het andere te komen. Deze mogen zo nodig wel van dezelfde servercomputer komen (u mag net zoveel pagina's van de Koninklijke Bibliotheek in uw wandeling betrekken als u nuttig lijkt, maar er mag slechts één hoogtepunt zijn.)

Er zijn waarschijnlijk oneindig veel van dergelijke wandelingen te bedenken. De jury zal bij de beoordeling van de inzendingen onder meer letten op kortheid van de wandeling, originaliteit, de interessantheid van de hoogtepunten en van de wandeling als geheel en breedheid van de onderwerpkeuze. De inzending bestaat uit een lijst van alle Internet-adressen die onderweg worden aangedaan, met een markering van welke vijf adressen als 'hoogtepunt' worden aangemerkt.

De hoofdprijs bestaat uit naar keuze het boek Computers en taal van Marc van Oostendorp (Sdu/De Standaard, 1999) of de Onze Taal Taalkalender (Sdu/De Standaard, 1999). Zoals gezegd zal een van deze boeken ook gaan naar de winnaars van 1998 (meld u!). Als zij dit jaar weer winnen, krijgen zij allebei de boeken. De inzendingen moeten voor 29 januari 2000 08:30:00 (Middeneuropese tijd, volgens de computers van het Meertens Instituut) via e-mail ontvangen zijn op het adres
Marc.van.Oostendorp@Meertens.knaw.nl. Zoals elk jaar wordt elke manier om de jury goedgunstig te stemmen in de overweging betrokken.





donderdag 12 augustus 1999

Taalkunde en taalgevoel

Aan mensen met taalgevoel heb ik een broertje dood. Ze hebben vaak zo weinig plezier in het leven. Muziekliefhebbers kunnen nog wel eens enthousiast vertellen over een mooie opname van de Winterreise zonder de hele tijd aan je kop te zeuren over het deuntje dat het 8-uurjournaal inluidt.

Vogelliefhebbers leven hun liefde niet alleen maar uit door ingezonden brieven te schrijven over de lelijkheid van de tegenwoordige duiven op de Dam. Van sommige francofielen heb je de indruk dat ze liever over een fles goede wijn praten dan over een natte kurk. Maar voor taalminnaars lijkt de ergernis zwaarder dan het enthousiasme: hen hoor je nooit over een prachtige nieuwe ontwikkeling in de taal, hen hoor je alleen maar klagen over hoe lelijk alles is en hoeveel lelijker alles almaar wordt.

Dan maar geen taalgevoel. Er zijn mensen die denken dat taalkundigen zich nooit ergeren omdat ze tijdens hun studie gehersenspoeld zijn om alles even interessant te vinden. In een artikeltje op de achterpagina van NRC Handelsblad (21 juli 1999) beweert Rudy Kousbroek zelfs dat het een aangeboren gebrek is van taalkundigen dat ze verstoken zijn van het juiste gevoel. En een psychologische verklaring voor dat gebrek heeft hij ook: "De waarheid is pijnlijk, maar eenvoudig: taalkundigen hebben geen taalgevoel. Vermoedelijk is dat de reden dat ze voor het vak hebben gekozen, het is een onderdeel van het merkwaardige verschijnsel dat juist mensen die niet kunnen schrijven in de taalwetenschap terechtkomen en dan oordelen willen uitvaardigen die voor iedereen bindend moeten zijn."

Het stukje van Kousbroek is om allerlei redenen interessant. Rationele argumenten worden er niet in gegeven en eigenlijk wordt er alleen maar in gescholden (de taalkundige wordt in dit korte stukje behalve gebrek aan taalgevoel ook nog mallotigheid, principeloosheid, hovaardij, reactonairheid en onheil aangewreven). Dat taalkundigen nu juist bij uitstek de bevolkingsgroep vormen die "niet kunnen schrijven", wordt zonder nadere toelichting geponeerd: schrijven taalkundigen gemiddeld slechter dan pakweg bakkers, architecten of dominees? Het enige min of meer concrete bewijs voor het gebrek aan taalgevoel is het volgende: "Wat is een taalkundige? Een taalkundige is iemand die, om maar een eenvoudig algemeen kenmerk te noemen, niet hoort dat pannenkoek, hartenkreet, zielenpijn en ruggengraat slecht klinken."

Het is makkelijk om hier flauwe grapjes over te maken -- ik ben kennelijk een taalkundige want ik hoor inderdaad niet hoe je woorden spelt -- maar er is iets veel interessanters aan de hand. Hier is iemand machteloos woedend. Waarom toch?

Interessant is Kousbroeks opmerking dat taalkundigen "oordelen willen uitvaardigen die voor iedereen bindend moeten zijn". Het is volkomen onduidelijk waarop die opmerking gebaseerd is. Wie wil er nu van dat soort "oordelen uitvaardigen"? Zolang het gaat over de spelling staat het natuurlijk iedereen vrij te "hartebloed" of "hartenbloed" te schrijven, zeker als hij of zij geen ambtenaar is en ook niet op school zit. (Mij maakt het trouwens sowieso niet uit, ik hoor het verschil toch niet.)

Uiteindelijk is het volgens mij een kwestie van macht. Op de een of andere manier heeft bij taalliefhebbers zoals Kousbroek de gedachte postgevat dat iedereen op dezelfde manier moet schrijven en dat er een officiële spelling moet zijn. Wie moet die regels opstellen? De taalkundigen weigeren dat te doen, want die willen nu juist helemaal geen oordelen uitvaardigen -- Kousbroeks stukje was een reactie op een column van Liesbeth Koenen waarin ze dat nu juist, tot Kousbroeks ergernis, uitlegde. De spelling zou dan heel andere regels moeten volgen: namelijk die van het taalgevoel van die gelukkigen die over een dergelijk gevoel beschikken. Aan hen zou de macht over de taal gegeven moeten worden. (Het enige probleempje dat ik dan voorzie is dat je zou moeten aanwijzen wie nu eigenlijk beschikt over het fijnste taalgevoel; naar aanleiding van het stukje van Kousbroek zijn er natuurlijk ook weer meerdere ingezonden brieven verschenen die deze of gene afschuwelijke misser in het artikeltje wisten aan te wijzen.)

Ik zou die macht over het Groene Boekje ook best aan de taalliefhebbers willen geven; ik pas me wel aan, het maakt mij werkelijk niet uit. Kousbroek maakt trouwens in dit verband ook een onderscheid dat volgens mij heel zinnig is. Hij zegt: die taalkundigen beroepen zich altijd maar op het natuurlijke van taalontwikkelingen. "De hele gedachte dat er sprake zou kunnen zijn van enige kunstigheid met betrekking tot taal, dat is voor deze taalkundigen irrelevant, onvoorstelbaar, het valt buiten hun horizon."

En dat is volgens mij precies wat het probleem is. Je kunt taal zien als iets natuurlijks en als iets kunstigs. Allebei de visies zijn volkomen legitiem (zoals altijd als het over mensen gaat) en complementair aan elkaar. In die zin hebben taalkundigen die tegen de taalliefhebbers zeggen: "je moet je niet druk maken, want al die veranderingen zijn natuurlijk" ongelijk. Alle verval is natuurlijk volgens de wet van de entropie, maar daarom hoeft men zich er nog niet bij neer te leggen. Tegelijkertijd hebben de taalliefhebbers weer ongelijk als ze de taalkundigen verwijten geen prachtig proza te kunnen schrijven. Dat is toch een beetje alsof je een chemicus verwijt dat hij niet geweldig goed kan koken.

Het natuurlijke en het kunstmatige zijn twee dimensies van het veelvormige object dat taal is; jammer genoeg lijken beide partijen in dergelijke discussies dat meestal niet in te zien. Dat is een bron van veel verwarring.

Tot welke partij je uiteindelijk hoort is een kwestie van karakter. Taalkundigen moeten daarom niet uitleggen aan taalliefhebbers waarom ze zich niet moeten ergeren, want tegen ergernis valt niets in te brengen. Hooguit zouden ze desgevraagd een heel enkele keer kunnen uitleggen waarom het net zo min zin heeft een taalkundige over dergelijke kwesties om een oordeel te vragen als een willekeurige andere taalgebruiker. Een taalkundige heeft misschien niet minder taalgevoel dan een gemiddelde taalgebruiker, maar ook zeker niet meer.

Er zijn in de wereld twee nauw verwante maar toch te onderscheiden dingen, die we door een ongelukkig noodlot allebei 'taal' noemen. Het ene is een ding om je aan te ergeren. Het andere is een ding om je over te verbazen en te verheugen.

Marc van Oostendorp








vrijdag 9 juli 1999

Leibniz in de Bijlmer

Sommige zeventiende-eeuwse wetenschappers waren ontevreden met de bestaande talen, die rommelig in elkaar staken, vol kronkels zaten en waarin de structuur van het woordenboek geen enkel verband hield met de structuur van de werkelijkheid; als je de woorden alfabetisch rangschikte kwamen er woorden naast elkaar te staan die geen enkel verband met elkaar hielden.

Ze lieten het er niet bij zitten. Ze bedachten nieuwe, 'filosofische', talen die gemakkelijk te leren zouden zijn en waarmee wetenschappers in heel Europa op een efficiënte manier konden communiceren. Een van hen, Gottfried Wilhelm von Leibniz, dacht zelfs dat zo'n filosofische taal een instrument zou kunnen zijn om het denken aanzienlijk te verbeteren: wat de microscoop was voor het oog, was een verbeterde taal voor het rationele denken en zoals de formule 'a2 + a3' in zekere zin makkelijker te begrijpen en in gedachten te manipuleren is dan 'de som van het kwadraat van een getal en de derdemachtswortel van datzelfde getal', zo zou de juistheid of onjuistheid van zinnen in de armetierige bestaande talen zoals het Latijn veel gemakkelijker kunnen worden aangetoond als ze werden omgezet in een filosofische taal.

Over Leibniz en zijn twee grote Engelse voorgangers, Georg Dalgarno en John Wilkins, verscheen onlangs bij het ILLC (aan de UvA) een proefschrift van Jaap Maat. Maat is een filosoof maar hij vertelt genoeg over de taalkundige structuur van de taalprojecten die de zeventiende-eeuwers opstelden om te kunnen zien dat zij een duidelijke voorkeur hadden voor lettergrepen met de structuur 'CV': een enkele medeklinker wordt gevolgd door een enkele klinker.

In het systeem van Wilkins waren de woorden opgenomen in thematische tabellen. Dat werkte ongeveer als volgt. De achtste serie tabellen bevat alle levende wezens; de vierde tabel in deze serie de dieren; de tweede rij in deze tabel de hoefdieren en de vierde plaats in deze rij de olifant. De structuur van het woord voor 'olifant' weerspiegelt deze structuur. Alle namen voor levende wezens (in de achtste serie tabellen) beginnen met een 'z', alle namen voor dieren met 'zi', alle namen voor zoolgangers met 'zib'. Het woord voor olifant is dan 'zibi'. Opvallend hierbij is dat klinkers en medeklinkers elkaar afwisselen: series tabellen en rijen in tabellen worden gepresenteerd met medeklinkers, en tabellen en elementen van rijen met klinkers.

De taal van Leibniz zat net anders in elkaar. Voor hem correspondeerden woorden met getallen zodat je er mee kon rekenen. Het woord voor olifant zou, laten we zeggen (heel concreet zijn Leibniz' plannen nooit geworden), bijvoorbeeld '87.484.962' kunnen zijn -- de vermenigvuldiging van de getallen 258 (voor 'levend wezen'), 529 (voor 'zoolstandig') en 641 (voor 'groot'). Die getallen waren zelf dan weer samengesteld, ('2' voor 'wezen', '129' voor 'leven') zodat je elk woord uiteindelijk kunt decomponeren tot een aantal primitieve concepten, die met priemgetallen corresponderen. Nu moesten die getallen in het internationale verkeer ook nog worden uitgesproken en daarvoor had Leibniz het volgende systeem bedacht. De cijfers werden gerepresenteerd met de eerste negen medeklinkers van het Latijnse alfabet (1=b, 2=c, 3=d, enzovoort) en de machten van tien met klinkers en tweeklanken: ba=1, be=10, bi=100, enz. Het woord voor 'groot' (=641) zou dan bijvoorbeeld `hifeba' (hi=600, fe=40, ba=10) geweest zijn.

Toen ik er nog eens over nadacht, moest ik plotseling aan de Bijlmer denken. Ook daar zijn mensen bezig een nieuwe taal te maken, die door een journalist van het Parool 'smurfentaal' genoemd wordt, maar door de jongeren zelf 'straattaal'. Die taal is in sommige opzichten een mengtaal, waarin leenwoorden uit het Sranan, het Engels, het Turks en andere talen door het Nederlands gemengd worden. Maar die taal is ook in zekere mate kunstmatig en bedacht: in interviews geven de sprekers zelf te kennen dat ze als ze dat willen 'op zijn Surinaams' kunnen praten terwijl ze zelf van autochtone afkomst zijn, of 'op zijn Turks' terwijl ze zelf uit een Surinaams gezin komen. Bovendien zeggen de jongeren soms dat ze nieuwe woorden voor een bepaald begrip bedenken.

De parallellen met de zeventiende eeuw zijn opvallend. Ook die straattaal kan alleen maar ontstaan zijn uit onvrede met de bestaande talen: die jongeren zeggen niet 'doekoe' omdat ze het woord 'geld' niet kennen, maar omdat dit laatste woord in hun ogen niet voldoet. Maar de overeenkomst gaat veel verder. In een artikel dat René Appel (ook al van de UvA) op dit moment in voorbereiding heeft naar aanleiding van een onderzoekje over de straattaal in de Bijlmer, observeert hij dat een relatief groot aantal woorden in de straattaal ontleend is aan het Surinaams. Waarom nu juist die taal? Volgens Appel zijn daar twee redenen voor. In de eerste plaats zijn de Surinamers toonaangevend in de jongerencultuur in de Bijlmer, maar in de tweede plaats hebben veel Surinaamse woorden de structuur 'CVCV': doekoe (geld), fatoe (grapje), tata (Nederlander). Stuk voor stuk zijn dat woorden die zo in de talen van Leibniz en zijn tijdgenoten zouden passen.

Leibniz is natuurlijk vooral bekend geworden doordat Voltaire hem belachelijk maakte vanwege zijn uitspraak dat we in de beste van alle mogelijke werelden leven. De jongeren in Amsterdam wordt weleens verweten dat ze helemaal geen idealen meer hebben. Dat is allebei ten onrechte. Leibniz, zijn wijsgerige tijdgenoten en de Bijlmerjongeren blijken wel degelijk een idee te delen over hoe de wereld beter kan worden gemaakt: door alle lettergrepen te vereenvoudigen.

Marc van Oostendorp
Marc.van.Oostendorp@meertens.knaw.nl
  • Appel. R. In voorbereiding. Straattaal. De mengtaal van jongeren in de Bijlmer. Te verschijnen in Toegepaste taalwetenschap in artikelen.
  • Maat, J. 1999. Philosophical languages in the seventeenth century: Dalgarno, Wilkins, Leibniz. Proefschrift, Universiteit van Amsterdam.







zondag 9 mei 1999

Lang leve de leunstoel

In de vakbladen smaalden onlangs sommige onderzoekers over de leunstoel als onderzoeksinstrument, dat volgens hen alleen in een ivoren toren paste. Leunstoeltaalkunde was een scheldwoord voor het soort theoretische taalkunde dat vooral de intuïties van een klein groepje moedertaalsprekers tot zijn data rekent. Echte wetenschappers deden veldwerk! Zij gingen de straten op, de laboratoria in, de wereld door!

Omgekeerd is er natuurlijk ook jarenlang gesmaald op die onderzoekers die zo dom waren de leunstoel te verlaten, maar langzamerhand wordt het volgens mij een beetje mal om nog verschil te maken tussen leunstoeltaalkunde en andere soorten onderzoek naar taal. De leunstoel wint ook in de minder hermeneutische takken van de taalkunde terrein. Je kunt tegenwoordig zo enorm veel gegevens met zoveel gemak bereiken zonder je leunstoel te verlaten, dat het verschil tussen die zogenaamde leunstoeltaalkunde en andere vormen van taalkunde wel moet vervagen: een theoreticus zou wel gek zijn als hij af en toe niet eens even snel een hypothese testte aan de hand van het corpus dat het Internet is; en iemand die dol is op gegevens hoeft zijn leunstoel ook niet meer uit.

In een artikeltje in Nederlandse Taalkunde hebben Ton van der Wouden en ik vorig jaar een paar soorten onderzoek op een rijtje gezet die je vorig jaar al kon uitvoeren met het toenmalige Internet. Maar sindsdien is dat corpus alweer op een interessante manier gegroeid. Niet alleen is het aantal geschreven woorden dat via zoekmachines als Altavista (http://www.altavista.com/) en Ilse (http://www.ilse.nl/) te vinden is, sterk gestegen, maar bovendien beginnen er nu ook steeds meer gesproken woorden via Internet raadpleegbaar te raken. Dat komt vooral doordat de Nederlandse (publieke) omroepen steeds meer programma's via het net aanbieden. Sinds een tijdje zijn zelfs alle programma's van de VPRO via de website van die omroep te beluisteren: http://www.omroep.nl/vpro/. Oude programma's worden gearchiveerd en zo ontstaat langzaam maar zeker een interessant nieuw corpus.

Natuurlijk is dat corpus nu nog klein en uiterst primitief. Omdat er geen transcripties zijn, zijn al die bestanden bijvoorbeeld nog helemaal niet doorzoekbaar. Van taalkundige of andere tags is al helemaal geen sprake en de publieke omroep is dus nog lang geen concurrent voor het Corpus Gesproken Nederlands. Toch zijn er volgens mij nu ook al fascinerende dingen te observeren.

Neem nu het radioprogramma De Avonden, een soort literair-cultureel tijdschrift dat vijf dagen in de week verschijnt. In dat programma worden interviews met schrijvers uitgezonden. Ook met buitenlandse schrijvers en dat veroorzaakt een zeer merkwaardig en bij mijn weten nooit eerder geobserveerd verschijnsel, dat wel iets weg heeft van code-switching maar op essentiële punten toch ook weer anders is.

Voorbeelden van wat ik bedoel kunt u vinden in de afleveringen van De Avonden van 4 en 5 mei 1999. In allebei die afleveringen wordt in het tweede uur een Engelstalige auteur geïnterviewd door de Nederlandse presentator Wim Brands. De sfeer van die interviews is intiem: in een kleine studio zitten interviewer en geïnterviewde met elkaar te praten over het net in het Nederlands vertaalde boek. De hoofdtaal van de interviews lijkt Engels maar af en toe, en soms middenin een zin, schakelt Brands ineens over om zijn gedachte af te maken in het Nederlands. De functie en de reden van die taalwisselingen zijn wat mij betreft over het algemeen volkomen raadselachtig en zouden het onderwerp kunnen zijn van een aardig onderzoekje. Je krijgt de indruk dat er systeem in zit maar wat dat dit systeem precies is, kan ik niet achterhalen. Het is in ieder geval niet mogelijk om het hele gesprek te volgen zonder dat je zowel Nederlands als Engels kent. De geïnterviewde schrijver moet af en toe volkomen in het duister tasten over de onverwachte wendingen en de luisteraar die geen Engels spreekt zal al helemaal snel de draad kwijt raken. Terwijl je zou denken dat dergelijke een dergelijke luisteraar, omdat de interviews gehouden worden naar aanleiding van Nederlandse vertalingen van deze Engelse boeken.

Neem het gesprek dat Brands op 5 mei voerde met de Schotse schrijver Magnus Mills. De negende minuut vertelt Mills een uitgebreid verhaal over hoe hij vroeger als hekkenbouwer werkte. Hij merkte dat het bouwen van hekken nogal eentonig werk is en dat het veel herhaling in zich had. "That's," zegt hij aan het einde van dat lange verhaal, "why there's a lot of repetition in the book."

Dan gebeurt het (op 9 minuut 40). "Yeah," zegt Brands, "That's true. Hij zegt, daarom zitten er zoveel herhalingen in dat boek, het is alleen maar herhaling, herhaling, that's what you remember of those days also." Dan mag Mills weer verder vertellen. Waarom Brands nu juist alleen deze mededeling over die herhalingen vertaalt en niets zegt over het voorafgaande, veel interessantere verhaal, blijft in nevelen gehuld. De luisteraar die alleen Nederlands verstaat vraagt zich af waarom er nu zoveel herhalingen in het boek zitten; degene die het voorafgaande verhaal verstaan heeft, zal "that's why there's a lot of repetition in the book" waarschijnlijk ook wel verstaan hebben.

Het gesprek gaat er vervolgens over de gesprekken die Mills als hekkenbouwer 's avonds in de pub voerde met zijn collega's. Er werd weinig gepraat en sommige hekkenbouwers dronken heel veel, maar Mills zegt dat hij zelf niet veel dronk, omdat hij zijn geld wilde sparen om als de 3 kilometer hek klaar waren bijvoorbeeld een motor te kopen. Zijn collega's zegt hij, hadden dan niets: ze hadden 6 maanden lang hard gewerkt en aan het eind van die periode hadden ze niets gespaard.

We zijn dan iets meer dan een minuut verder (10.50) in de conversatie en weer pleegt Brands een Nederlandstalige interruptie, die het verhaal min of meer samenvat, maar over het sparen van Mills of het niet-sparen van zijn collega's zegt hij niets. Ook hier is de portee van de interruptie dus onduidelijk uit het oogpunt van de eentalige Nederlander. Degene die ervan afhankelijk is, mist een cruciaal gedeelte van het gesprek. Dan zegt Brands: "Er wordt niet veel gepraat, dat geldt ook voor de mannen in het boek, Tim en Ritchie, die zeggen ook niet zo veel." Hij vertelt dan een aantal details over het werk van deze mannen overdag ("knap zwaar werk"). Dat Nederlandstalige betoog sluit dan als volgt: "'s Avonds gaan ze naar de kroeg, drinken, zwijgen, knikken naar elkaar. That's it. When did you get the idea to write a novel about fencers?" En vervolgens gaat het gesprek weer verder in het Engels. Hier gebeurt dus in zekere zin het omgekeerde: That's it vat het voorafgaande samen, maar het voorafgaande heeft de geïnterviewde niet verstaan, en de hypothetische luisteraar die geen Engels verstaat, heeft niets aan dit signaal dat hiermee Brands' eigen bijdrage is afgerond.

Nogmaals, er zou een aardig onderzoekje te doen zijn naar deze merkwaardige taalwisselingen. De geschiedenis ervan is denk ik vrij duidelijk: zij wortelt in het gebruik van radiojournalisten om af en toe de antwoorden van hun geïnterviewde voor de luisteraar die de taal van het interview niet verstaat. Maar die functie heeft het helemaal verloren. De vraag is nu: waarom worden sommige dingen wel in het Nederlands gezegd of vertaald, en andere niet?

Mijn eerste idee is het volgende. Brands voert een interview met een schrijver die een boek in het Engels geschreven heeft en als een goed radiopresentator vist Brands vooral naar de eventuele autobiografische achtergronden van dat boek. Over die autobiografie gaat het interview eigenlijk en om dat de beklagenswaardige schrijver nu eenmaal geen Nederlands verstaat, stelt Brands uit beleefdheid zijn vragen in het Engels. Soms valt Brands dan ineens een parallel op met het boek dat de schrijver. Het heeft uiteraard weinig zin om de schrijver op deze parallellen te wijzen. De enige die er belang bij heeft dat Brands dit vertelt is de luisteraar. Die spreekt, neemt Brands aan, Nederlands.

Nu is er met Nederlanders en het Engels iets vreemds aan de hand. Er wordt altijd gezegd dat een groep Nederlanders altijd meteen overschakelt op het Engels zodra een buitenlander zich bij die groep voegt. Dat is denk ik waar. Maar het is evenzeer waar dat die groep Nederlanders, in ieder geval in mijn ervaring, onmiddellijk terugschakelt naar het Nederlands als die buitenlander weer verdwijnt. De eerste twee Nederlanders die onder elkaar Engels spreken zonder dat er een niet-Nederlandstalige in de buurt is, moet ik nog tegenkomen.

Brands' wisselingen zijn het gevolg van het feit dat hij tegelijkertijd een gesprek voert met een buitenlander en aan de luisteraar iets wil uitleggen over die buitenlander. Omdat die buitenlander ongetwijfeld de uitleg aan de luisteraar niet zo interessant zal vinden, voert Brands in metaforische zin een kringgesprek waarbij de anderstalige zich af en toe even verwijdert.

Om deze eerste hypothese te testen, is natuurlijk onderzoek op een groter corpus nodig. De VPRO bouwt aan dat corpus en iedereen kan dat vanuit zijn leunstoel volgen.

Marc van Oostendorp
oostendorp@rullet.leidenuniv.nl
Marc van Oostendorp en Ton van der Wouden. 1998. Corpus Internet. Nederlandse Taalkunde 3, pp. 347-361. URL: http://www.ned.univie.ac.at/ned-tk/digitaal-04.htm














dinsdag 13 april 1999

Studio Taalwetenschap

Zolang ik de taalkunde van nabij ken, heerst er malaise in het vak. Twaalf jaar geleden deed ik mijn propedeuse. No nonsense was het toverwoord in de politiek en de maatschappij, de mensen zeiden tegen elkaar dat het 'slecht ging met de economie', en er kon dus geen geld meer worden uitgegeven aan luxeartikelen, zoals het vak dat ik net was begonnen me eigen te maken. Ik kan me maar één docent herinneren die zich één keer een béétje optimistisch over de toekomst van het vak uitsprak: de docent syntaxis zei dat we in de academische wereld nu duidelijk een dieptepunt beleefden, dat het vanaf nu alleen maar beter kon worden; als wij zouden afstuderen, konden we AiO worden en daarna lag de wereld voor ons open.

Sinds die tijd is het alleen maar slechter geworden. De economie is, zegt men, tot grote bloei gekomen, het geld kan men bij wijze van spreken zo van de straat scheppen, maar bij de taalkundeafdelingen (en, neem ik aan, de letterkundeafdelingen) van de universiteiten is in die twaalf jaar nauwelijks iemand komen werken die voor die tijd niet al ergens aan een universiteit werkte. Voor luxeartikelen zoals het vak dat ik me nog steeds wanhopig probeer eigen te maken is misschien wel geld, maar kennelijk heeft niemand zin om het geld ook op die manier uit te geven.

Mijn propedeusejaar heeft, behalve onder andere een journalist van een universiteitskrantje, een educatief medewerker bij een museum en een freelance redacteur bij een literaire uitgeverij, minstens twee heel goede taalkundigen opgeleverd: een syntacticus en een semanticus, die allebei op een briljante manier afgestudeerd zijn en daarna AiO geworden om vervolgens op een briljante manier te promoveren. Ze hadden nu allebei natuurlijk allang een heel goede baan moeten hebben, waarin ze de prachtigste artikels en boeken hadden geschreven. Maar in plaats daarvan zitten ze nu al jarenlang in het circuit waarin iedereen zit die jonger is dan veertig en die een academische carrière ambieert: project schrijven, wachten, baantje, nieuw project schrijven, wachten. Een paar jaar wachtgeld en dan weer een paar jaar NWO. Dan weer een paar jaar wachtgeld en dan misschien de KNAW. En dan een tweede keer NWO. En een derde keer. Om tenslotte toch maar in de automatisering te gaan werken.

Het is allesbehalve vrolijk en het is onacceptabel dat dit lot iedereen in het vak treft, dat al die getalenteerde en werklustige collega's op zo'n manier aan het lijntje gehouden worden. Er moet iets aan gedaan worden! Zo snel mogelijk! Redelijk willen stroomt over de aarde, en die stroom rijst al meer en meer!

Gelukkig gebeurt er de laatste maanden ineens van alles. De post-docs nemen het heft in eigen handen. Zo werd onlangs in Utrecht een landelijk platform opgericht, waarin onder andere veel uitstekende taalkundigen actief zijn, zoals Helen de Hoop, Angeliek van Hout en Gertjan Postma. Een oproep van dat platform verscheen in het vorige nummer van Neder-L (9904.05); meer informatie is te vinden op de website http://132.229.181.29/platform.html. Het platform heeft goede ideeën. Zo wijst het erop dat er misschien wel eens onevenredig veel geld gaat naar de bureaucratie op de universiteiten en bij de geldschieters voor onderzoek, zoals NWO. 'Verdwijnt er niet teveel onderzoeksgeld in bestuurlijke overhead?' schreef het platform in het vorige nummer van Neder-L en dat lijkt me een retorische vraag.

Maar nog meer sympathie dan voor dat platform heb ik voor het onlangs opgerichte bedrijfje Studio Taalwetenschap van onze collega's Karijn Helsloot en Maaike Verrips. Dat bedrijfje wil, als ik het goed begrijp, nieuwe manieren zoeken om de taalkunde aan de man te brengen zonder meteen te worden ingebed in de bestuurlijke overhead. Het zou een soort agentschap voor taalkundigen moeten worden dat lesmethodes, websites en boeken samenstelt, lezingen organiseert en allemaal andere activiteiten bedenkt waar je helemaal geen duurbetaalde doctorandussen in de bestuurskunde voor nodig hebt. Volgens mij zou het moeten lukken, want de taalkunde is een prachtig luxeartikel, waarvoor veel meer belangstelling zou kunnen bestaan. Binnenkort zullen Verrips en Helsloot hun plannen wel presenteren; ik verwacht er veel van.

Het platform heeft gelijk dat de bestaande structuren veranderd moeten worden en dat de huidige post-docs daar beter in moeten worden gepast. Maar soms wordt een mens ook wel eens moedeloos van de bestaande structuren en zou hij eens helemaal opnieuw willen beginnen met iets moois en spannends. Studio Taalwetenschap bijvoorbeeld. De vakgroepen mogen wel uitkijken: straks wil behalve de functionarissen die toezicht houden op de correcte uitvoering van onderzoek en onderwijs helemaal niemand er nog werken.

Marc van Oostendorp





zondag 7 februari 1999

Uitslag kerstprijsvraag 1998

Onlangs werd ook mij een baan aangeboden met een goed salaris, een lease-auto en een mobiele telefoon. De onbekende die me over deze baan aanschreef, werkte bij een bedrijf dat `erotische websites' maakte. Het bedrijf zocht iemand die veel van zoekmachines wist om hen te helpen hun website `vindbaar' te maken. Mijn correspondent had de indruk dat ik zo iemand was omdat ik wel over zoekmachines geschreven heb. Ik heb het aanbod maar niet aangenomen. Ik zoek nog verder naar een passende werkkring.

Gezien de rijkdom en roem die je met goed zoeken op Internet moeiteloos verwerven kunt, is het misschien een wonder dat er toch nog twee deelnemers aan de prijsvraag hebben deelgenomen. Waarom je talenten verspillen aan het winnen van een t-shirt als je met evenveel moeite in het bezit kunt komen van een driedelig pak?

De twee deelnemers waren allebei nog even goed ook: ze misten allebei 1 vraag. Dat was gelukkig niet dezelfde. Daarnaast lieten ze in de details van de beantwoording allebei af en toe een steekje vallen, maar daar was weinig verontrustends bij. De vergadering van de jury kon daarom dit jaar zeer kort zijn. Het enige punt van discussie was nog dat een van de inzenders een kamergenoot was van de juryvoorzitter: was het wel veroorloofd om zo iemand een prijs te geven? De voorzitter maakte echter spoedig een einde aan deze discussies door erop te wijzen dat de reglementen wel familieleden van Neder-L-redacteuren uitsluiten, maar geen kamergenoten.

Alles bij elkaar zijn er dit jaar twee prijswinnaars van de kerstprijsvraag: Age Rotshuizen en Ton van der Wouden. Zij krijgen allebei een t-shirt. Meneer Rotshuizen, meldt u zich in dit verband nog een keer bij de juryvoorzitter. Het e-mailadres waarvandaan u uw inzending stuurde, genereert een foutmelding als wij het proberen te bereiken.

Marc van Oostendorp
Oostendorp@rullet.leidenuniv.nl

De vragen en de antwoorden

1. Noem een schrijver van wie in de tentoonstelling 'Gaan waar de woorden gaan' de stem te horen en een borstbeeld te zien is. Antwoord:
Simon Carmiggelt
Vindplaats:
http://www.letmus.nl/bax.html
Toelichting:
Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet je natuurlijk weten dat deze tentoonstelling te zien is in het Letterkundig Museum. Van der Wouden wijst erop dat deze informatie te vinden is In het archief van Neder-L. Vervolgens is met een van de standaardzoekmachines of een index op Nederlandse musea het Internet-adres van het Letterkundig Museum snel gevonden. Enig zoekwerk op deze site levert al snel een pagina met informatie over de tentoonstelling op waar een foto te zien is "van een bezoekster die een telefoonhoorn aan haar oor heeft, voor een tekstbord met daarop de naam Carmiggelt en naast een borstbeeld van Simon Carmiggelt" in de woorden van Van der Wouden.

2. Welk tekstformaat zal gebruikt worden in de elektronische editie van de ANS?
Antwoord:
HTML
Vindplaats:
http://www.ned.univie.ac.at/ned-tk/digitaal-03.htm
Toelichting:
Bijdragen aan de onvolprezen rubriek DigiTaal van Nederlandse Taalkunde worden online geplaatst. Een van deze bijdragen behelst de elektronische ANS. Daarin wordt deze kwestie aan de orde gebracht. Van der Wouden is kennelijk een trouwe lezer van deze rubriek, maar Rotshuizen wist hem helaas niet te vinden.

3. Wat was in de zeventiende eeuw een Carreldoek?
Antwoord:
Een soort van Seildoek, sijnde het stijfste
Vindplaats:
http://pc-78-120.udac.se:8001/WWW/Nautica/Etymology/Winschooten(1681).html
Toelichting:
Beide deelnemers vonden deze pagina door 'carreldoek' in te voeren bij HotBot (http://www.hotbot.com/)

4. Op welke leeftijd beginnen kinderen hun eerste lettergrepen te produceren?
Antwoord:
Rond het eerste levensjaar
Vindplaats:
(bijvoorbeeld) http://www.cyberear.com/foss/praten.htm
Toelichting:
Bovenstaand Internet-adres met een tamelijk eenduidig antwoord werd gevonden door Rotshuizen. Van der Wouden kwam met een uitvoerige en onduidelijke beschouwing gebaseerd op de kindertaalrubriek van Maaike Verrips bij Ouders Online (http://www.ouders.nl/ltaal.htm). In eerste instantie wilde de jury deze redenering niet goedkeuren, maar de juryvoorzitter wees erop dat elke verwijzing naar het prijzenswaardige initiatief van Verrips een bonuspunt oplevert. Met dit argument ging de jury uiteindelijk accoord.

5. In welke stad woont de dichteres Jo Govaerts?
Antwoord:
Londen.
Vindplaats:
http://home.luna.nl/~poetry/part/37/index.html,
Toelichting:
Te vinden met de gebruikelijke zoekmachines.

6. P. van Haps schreef een brief van 'Antonia' aan 'Theodoor'. In welk jaar deed hij dat?
Antwoord:
--
Vindplaats:
--
Toelichting:
Op de een of andere manier is er iets misgegaan bij de formulering van deze vraag. Over de genoemde brief is in het geheel geen informatie te vinden op Internet, zo hij al bestaat. P. van Haps schreef in 1705 diverse brieven, waaronder een brief van 'Antonia' en een brief 'aan Theodoor', maar een brief 'van Antonia aan Theodoor' was er waarschijnlijk niet bij. Dit alles is na te lezen op http://www.let.LeidenUniv.nl/Dutch/Latijn/NH01.html of http://www.let.LeidenUniv.nl/Dutch/Latijn/NH02.html.
Deze pagina's waren door de inzenders gevonden. Hun antwoorden zijn goedgerekend.

7. Wat was de titel van de lezing van Veerle Fraeters tijdens het International Medieval Congres in Leeds, in juli 1998?
Antwoord:
The Middle Dutch Translation of Tabula Chemica: An Amalgam of Alchemy and Religion, a Blend of Prose and Verse.
Vindplaats:
http://www.let.uu.nl/nederlands/nlren/VLUG98.html of http://www.leeds.ac.uk/imi/imc/imc98/main.htm
Toelichting:
Het eerste adres (waarin 'Congres' wordt gespeld met 1 s) werd gevonden door Rotshuizen, het tweede (waarin 'Congres' 2-en telt) door Van der Wouden.

8. Wie deed dit jaar de volgende uitspraak: 'Knuvelder is veertig jaar meegegaan. Als wij dat halen, mogen we al heel blij zijn. Langer kan zo'n concept niet standhouden.'
Antwoord:
prof. dr. A.M. Musschoot
Vindplaats:
http://www.taalunie.org/_/publicaties/taalschrift/ts98_2_2.html
Toelichting:
Van der Wouden kwam niet verder dan: "Ik vermoed Arie-Jan Gelderblom of iemand anders uit de kring van de nieuwe Nederlandse Literatuurgeschiedenis, maar ik heb het nog niet kunnen vinden." Dit kon de jury niet goedrekenen. Rotshuizen dacht kennelijk ook in eerste instantie aan Gelderblom en hij trok de juiste conclusie: met het programma MetaCrawler (http://www.metacrawler.com/) zocht hij op "Gelderblom Knuvelder" en vond het interview met Gelderblom en Musschoot op de website van de Taalunie.

9. Welke uitgever zal de nieuwe editie van het Verzameld Werk van Willem Elsschot uitgeven?
Antwoord:
Querido
Vindplaats:
http://www.knaw.nl/chi/index-ned/lopende/onderzoek-fr.htm
Toelichting:
Het antwoord op deze vraag moest wel bij het Huygens Instituut te vinden zijn.

10. Vertaal in het Haags: 'Knuvelder is veertig jaar meegegaan. Als wij dat halen, mogen we al heel blij zijn. Langer kan zo'n concept niet standhouden.'
Antwoord:
Knuvelde^ah is veigtig j^ah meigegaan. Als w`e dat halen, m^augen we al heil bl`e z`en. Lang^ah ken zo'n concept nie standhouden of Knuveld^ah is veigtig jaar meig^uhgaan. Als w`e dat hal^uh, mog^uh w^uh al heil bl`e z`en. Lang^ah ken zo'n concept nie standhoud^uh.
Vindplaats:
http://users.bart.nl/~cjmdbr/haags.htm
Toelichting:
Het genoemde Internet-adres bevatte tot voor kort een programmaatje dat teksten 'vertaalde' van het Standaardnederlands in het Haags. Merkwaardig genoeg leverde dat bij de twee inzenders kennelijk verschillende transcripties op. Het programma is ondertussen helaas alweer verdwenen, zodat de jury niet heeft controleren wat het juiste antwoord was.

11. Welke simpele logische fout zit er volgens professor Nerbonne in het PRO-theorema?
Antwoord:
``Equivocatie'' - waarin een cruciale term ambigu wordt gebruikt: "governed" wordt anders gebruikt voor anaforen dan voor pronomina.
Vindplaats:
http://odur.let.rug.nl/~nerbonne/oratie
Toelichting:
Het was kennelijk geen probleem om Nerbonne in Groningen te vinden en vervolgens zijn oratie door te lezen.

12. Welk literair genre beoefende Eelckje van Bouricius?
Antwoord:
Dichtkunst
Vindplaats:
http://www.leidenuniv.nl/host/mnl/tntl/bkort.html of http://www.leidenuniv.nl/host/mnl/tntl/114/114-4/index.html
Toelichting:
Op de website van de Maatschappij staat op een aantal plaatsen te lezen dat in TNTL 114/4 een artikel verscheen met als titel 'Eelckje van Bouricius: een zeventiende-eeuwse dichteres in de marge van de literaire wereld'. Beide deelnemers vonden een van deze pagina's en trokken hieruit de terechte conclusie dat Van Bouricius aan dichtkunst deed.