Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

zaterdag 21 juli 2001

Weg van hier

Zes jaar geleden was het warm in augustus, maar zat ik tegenover Willem Kuiper in café In de Wildeman in de binnenstad van Amsterdam. Ik was net begonnen met het Project Laurens Jz. Coster als een onderdeel van De Digitale Stad. Nu ging Willem, de nestor van de digitalisering van de Nederlandse literatuur, mijn nieren proeven.

De Digitale Stad was toen nog een idealistische club mensen die de burger op het Internet wilden brengen omdat ze dachten dat die burger daar van alles bij te winnen had. Dat mensen via het Internet allerlei informatie gratis ter beschikking zouden stellen waar je verder nauwelijks of alleen met moeite aan kon komen. Dat die informatie gratis zou zijn. Dat je op het Internet kon samenwerken met allerlei mensen die je nog nooit in levenden lijve gezien had.

Nou, dat dacht ik eigenlijk ook allemaal zo'n beetje. Ik had wat kennissen bij de Stad en ik had net mijn proefschrift af. Daarin beschreef ik hoe er in het moderne Nederlands soms wel (hellep, marrek) en soms niet (hart, pers) een sjwaklinker wordt ingevoegd tussen twee medeklinkers. Nu wilde ik weten of dat in oudere taalfasen anders was geweest, en daarvoor had ik een corpus nodig. Dus begon ik rond te vragen of er ergens een Nederlandse tegenhanger was van de Amerikaanse en Duitse Gutenberg-projecten, waarin toen al heel veel elektronische literatuur verzameld was.

Zo'n tegenhanger was er niet. "Dan begin jij er toch zelf een", zeiden mijn kennissen bij De Digitale Stad. Zo was Laurens Jz. Coster geboren. En ik was blij dat er zo'n club bestond als De Digitale Stad. Veel beter dan de universiteiten, waar helemaal niks werd gedaan aan internet.

Dat alles vertelde ik aan Willem, en we dronken nog een bier, en toen moest Willem weer naar huis, want hij komt uit de Zaanstreek en daar is men overal voor in, als men maar met etenstijd thuis is. Hij beloofde dat ik te zijnertijd misschien ook nog wel wat van zijn teksten zou krijgen, en dat hij ook verder zou helpen, en ik was geloof ik min of meer goedgekeurd.

*

Een maand geleden was het een regenachtige ochtend in juli. Ik zat in het kantoortje van De Digitale Stad te praten met Joost Flint, de directeur van het bedrijfje dat DDS inmiddels geworden is. Ik had hem in al die jaren nooit eerder gezien, maar nu had hij me gemaild om te zeggen dat ik contact met hem moest opnemen in verband met hun nieuwe plannen.

We dronken sterke koffie en ondertussen vertelde hij me wat de stand van zaken was. Eind 1999 is De Digitale Stad van een stichting een bedrijfje geworden, waarbij de verschillende activiteiten - redactiewerk, websites bouwen, computerruimte bieden aan websites - in verschillende deelbedrijfjes werden ondergebracht.

Nu was eind 1999 zo ongeveer het ongelukkigst mogelijke moment om een dergelijke stap te zetten. Al snel daarna begonnen de klappen te vallen in de Internet-economie. De meeste onderdelen van De Digitale Stad werden dan ook aan de kant gezet. Ik hield in die tijd mijn adem in, maar met Coster gebeurde er niks. Af en toe groeiden we uit ons jasje - dan hadden we weer alle ons toegewezen computerruimte gebruikt - maar ik hoefde dat maar te melden, of we kregen er weer 10 Mb bij.

Nu, op deze regenachtige morgen, werd me duidelijk dat het definitief was afgelopen. Van een bloeiende, vrolijke club mensen waar de hele tijd Jan en alleman op bezoek kwam en iedereen bruiste van enthousiasme, was het nu een klein bedrijfje dat angstvallig probeerde het hoofd boven water te houden. De nieuwste noodgreep heette 'breedband' - De Digitale Stad gaat een bedrijfje worden dat breedband en breedbandtoepassingen van Internet gaat aanbieden - dat wil zeggen een heel snelle vorm van Internet-verbinding waarmee je thuis op je computer naar de televisie kunt kijken.

Het Coster-project paste niet echt in dat 'concept'. Misschien wilde Flint, uit sympathie, nog wel sponsoren, maar waarop die sympathie precies gebaseerd was, werd niet erg duidelijk. Hij kende de site eigenlijk nauwelijks. We waren uit elkaar gegroeid - het Coster-project was in zijn ogen duidelijk een anachronisme, sympathiek misschien, maar duidelijk stammend uit de tijd waarin we allemaal nog jong en enthousiast waren, en dachten dat de zon voor niets opging.

We dronken nog maar wat van onze koffie, en toen zei Flint dat hij me binnen enkele dagen mobiel zou bellen om te vertellen wat zijn beslissing zou zijn over de toekomst van Coster. Daar heb ik nog steeds niks van gehoord.

*

De volgende ochtend zat ik op mijn eigen werkkamer met Willem Kuiper te werken. We waren inmiddels collega's geworden - Willem werkt een dag per week op het Meertens Instituut, en ik werk daar vier dagen in de week. Het was het eind van de dag en ik legde hem de kwestie voor. In een mum van tijd had hij de oplossing: hij zou de technische mensen op de Universiteit van Amsterdam er wel even van overtuigen dat ze een deel van hun computer moesten openstellen voor Coster. Hij besefte toen nog niet dat je bij zoiets altijd stuit op bedenkelijke gezichten. Maar ik besefte niet dat Willem Kuiper al die bedenkelijke gezichten binnen een paar dagen toch kan laten doen wat hij wil.

Zo is Coster dus verhuisd. Wat is het jammer dat De Digitale Stad zoals hij zes jaar geleden was niet kon blijven bestaan - dat zoveel mensen aan e-commerce en nieuwe economie zijn gaan doen in plaats van mee te helpen iets moois te maken van Internet. En wat is het prettig dat er nog universiteiten zijn.
Het nieuwe Internet-adres van het Project Laurens Jz. Coster-project luidt: http://www.hum.uva.nl/dsp/ljc/

Marc.van.Oostendorp@Meertens.KNAW.nl














maandag 2 juli 2001

De geeuw van de lil

Ik zat op een terras margarita's te drinken met iemand die 'gil' hetzelfde uitsprak als 'geeuw', maar die tegelijkertijd een duidelijk verschil beweerde te horen tussen het woord 'verst' dat 'meest ver' en het woord dat 'meest vers' betekende. Dat is voor mij precies andersom.

Mensen zoals mijn vriend zullen volgens mij de fonologie van het Nederlands weer interessant maken. Niet dat hij nu zelf zo'n briljante fonoloog is, integendeel, zijn kennis overstijgt nauwelijks dat van een willekeurige toekomstige bachelor in de Nederlandse taal- en letterkunde. Maar omdat hij de woorden op zo'n interessante manier uitspreekt, en daarin vast niet de enige is.

Dat mensen Niels en nieuws hetzelfde uitspreken, en veel laten rijmen op leeuw, daar hoor je al niet meer van op; het verschijnsel is al door verschillende taalkundigen beschreven. Ik doe het zelf geloof ik ook wel, in ieder geval in de genoemde woorden. Er valt ook wel een min of meer plausibel verhaal te vertellen over waarom ik dat doe, waarom zoveel mensen het doen: dat de l aan het eind van de lettergreep toch al de neiging heeft om dik te zijn en dat die dikke l heel dicht bij een w-klank ligt.

Nederlanders hebben dat eeuwen geleden al een keer gedaan. Die begonnen op een bepaald moment 'oud' te zeggen in plaats van 'old' en 'koud' in plaats van 'kalt'. We beginnen nu gewoon aan een nieuwe ronde.

Het was een warme avond op een terras in Den Haag. Daar kwam mijn vriend ook vandaan en bovendien had hij een beetje een dubbele tong, want we zaten al aan onze derde margarita. Maar daar lag het allemaal niet aan - hij is vijfentwintig jaar en behoort volgens mij gewoon tot de voorhoede van de nieuwste fonologische verandering.

Maar zijn er dan echt mensen die hun tong helemaal optillen aan het eind van geel? Die daar echt een l zeggen net als in leeg? Ik gaf tien jaar geleden al college aan propedeusestudenten. Ik vertel daarin altijd dat mensen het liefst klinkers en medeklinkers laten afwisselen. Dat ze daarom [melluk] zeggen tegen melk. Maar de laatste jaren zijn er nauwelijks nog studenten die dat nog geloven. 'We zeggen toch gewoon [mewk]?' roepen ze dan. En ik moet toegeven dat ik zelf ook steeds vaker [mewk] zeg en steeds minder [melluk].

Bij mijn vriend was er nog iets meer gebeurd, ontdekte ik. Voor hem hadden de klinkers voor een l en trouwens ook voor een r het verschil in lengte verloren. Gil klonk voor hem hetzelfde als geel, Cor hetzelfde als koor. Ook dat is een verschijnsel dat je bij meer mensen hoort, al ken ik er eigenlijk geen literatuur over.

Maar is dat dan geen polder-Nederlands? Ja, dat is wat iedereen tegenwoordig zegt als je een taalverandering observeert, vooral als die iets met klinkers te maken heeft. Maar volgens mij heeft Jan Stroop, de vader van het polder-Nederlands, nog nooit iets over die klinkerlengte gezegd."

Wat mij nog niet eerder was opgevallen, was dat de twee verschijnselen konden samenvallen - en dat je zo margarita's kon drinken met iemand voor wie de woorden 'gil', 'geel' en 'geeuw' allemaal hetzelfde klonken. En toch is mijn vriend er nog nooit door in de war geraakt.

Wat ik ook nog niet wist is dat je kennelijk nog wel iets met die lengte doet: omdat het er kennelijk toch niet toe doet maak je je klinkers in de laatste lettergreep net even langer. De klinker in jouw gil en geel klinkt meer zoals die van mij in geel dan zoals die van mij in gil."

Ook de klinker in ver bleek langer te zijn bij mijn vriend dan bij mij. Maar die verlenging gebeurt alleen als de klinker door niet meer dan één medeklinker gevolgd wordt: wel in ver, niet in vers of kerst. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom dat zo is: er moet wel ruimte zijn voor die verlenging, en met teveel medeklinkers is die ruimte er niet.

Welke medeklinkers tellen mee? Bij mijn vriend kennelijk alleen die van de stam. Bij verder en (ik spring het) verst zijn de s en de t kennelijk onzichtbaar: de e wordt langer, net als in de eenvoudige vorm ver. Maar vers begint in de eenvoudige vorm al met twee medeklinkers die de klinker het verlengen beletten: die s is dus wel zichtbaar.

Dat verklaart het verschil tussen verst en verst, en daar namen we nog maar een margarita op.