Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

dinsdag 11 september 2007

Carnaval der burgerrecensenten

'Voor virtuoos proza moeten we niet op het net zijn'. Zo, die zit en daar kunt u het mee doen. Ga toch weg van dit vermaledijde beeldscherm waar u naar zit te staren. Neem liever een goed boek, of een krant, of desnoods een reclamefolder, als u tenminste op zoek bent naar virtuoos proza.

Het citaat waar ik mee begon, komt ook al niet uit een boek, maar uit een stukje dat de romanschrijver Herman Stevens een paar maanden geleden op zijn weblog heeft gezet. Stevens had een artikel in NRC Handelsblad geschreven tegen wat hij 'burgerrecensenten' noemde -- ongediplomeerden die op internet boekbesprekingen publiceren. Een paar dagen later had een zekere Daan Stoffelsen daarop gereageerd. Stoffelsen werkt bij Recensieweb, een website waarop dat soort recensies over moderne Nederlandse letterkunde worden geplaatst. De NRC wilde kennelijk Stevens' antwoord waaruit dit citaat kwam niet meer hebben. Dus had hij het uitgerekend op het verfoeide internet gezet.
Wat beweegt iemand om een dergelijk stuk te schrijven? Het heeft op het oog weinig zin om ten strijde te trekken tegen de burgerrecensenten. Wie zal zich ervan laten weerhouden om op een website te verkondigen wat hij van Tirza en Mim vindt doordat hij Stevens' stukje gelezen heeft? We zullen moeten afwachten wat een en ander gaat betekenen voor de toekomst van de letterkunde, maar de opkomst van de lezer die op internet vertelt wat hij of zij ervan vindt is een feit.

  Erg groot is de wereld van de burgerrecensenten overigens nog niet, althans niet in het Nederlandstalige deel van het internet. In de Engelstalige wereld bloeit het fenomeen inmiddels volop en vind je zelfs duidelijke subgenres. Populair zijn bijvoorbeeld de internet-dagboeken van lezers die fanatiek het ene boek na het andere verslinden en daar op internet verslag van uitbrengen. De weblog 'So Many Books' ('the agony and ecstacy of a reading life') is daar een mooi en erudiet voorbeeld van, geschreven door een zekere Stefanie die ooit een doctoraal in de Engelse letteren haalde en nu ergens in Minneapolis bij een helpdesk werkt, als ik het allemaal goed begrijp. In haar vrije tijd leest ze Emerson en Proust en Homerus, en ongeveer elke dag schrijft ze daarover.

Een consequentie van dat dagelijkse ritme is dat ze vrijwel nooit recensies schrijft. Ze leest de ene dag bijvoorbeeld een stukje in de Odyssee en vertelt dan wat haar indrukken van dat stukje zijn; een paar dagen later gaat ze er pas mee door. Als het boek uit is, geeft ze nog wel een soort eindoordeel, maar eigenlijk worden de hele tijd allerlei boeken door elkaar besproken -- zoals in het leven van de lezer zelf.

Een ander interessant subgenre is dat van de aan een speciale schrijver gewijde weblog. Op het AustenBlog wordt bijvoorbeeld iedere dag melding gemaakt van de laatste nieuwtjes rondom de razend populaire negentiende-eeuwse schrijfster Jane Austen: wat er in allerlei kranten over haar staat op internet, waar nieuwe elektronische edities van haar werk te vinden zijn, wat we moeten denken van de nieuwste verfilming. Een ander voorbeeld is ShakespeareGeek, waarop een zekere Duane niet alleen soortgelijke nieuwtjes over de Engelse toneelschrijver geeft, maar ook regelmatig vertelt over welke versregels zijn driejarige dochtertje nu weer uit haar hoofd blijkt te kennen.
Het echte leesdagboek en de gespecialiseerde schrijversweblog bestaan bij mijn weten in het Nederlands niet. Er zijn er een paar die in de buurt van het eerste komen. Die dagboeken komen opvallend genoeg eerder van boekverzamelaars dan van lezers; onder Nederlandse webloggers bestaat nog steeds een grote openlijk beleden liefde voor de bibliofiele legende Boudewijn Büch. Een voorbeeld is 'Boekengek' die op 5 september 2007 omstandig verslag uitbrengt van zijn problemen met AlItalia, als hij probeert veel te zware koffers met boeken in te checken. Een ander voorbeeld is 'Bibliofilos' (er zijn veel pseudoniemen in deze wereld) die de afgelopen jaren eerst als hostess op het Griekse eiland Kreta heeft gewerkt en daarna als telefoniste bij uitgeverij Prometheus. Vooral haar avonturen in de eerste functie waren van een soort waar je weinig over leest in de krant: hoe ze de hotels afging om van de portiers de Nederlandstalige boeken te krijgen die gasten hadden laten liggen. Inmiddels werkt Bibliofilos overigens voor een uitzendbureau, we blijven haar volgen.

  Degenen die meer over hun lezen schrijven, pakken het (jammer genoeg) wat traditioneler aan. Ze schrijven recensies van boeken die ze uitgelezen hebben, zij het dat deze recensies in doorsnee een stuk korter zijn dan wat je in de boekenbijlage vindt. Sommigen van deze webloggers lezen zich overigens door gigantische stapels heen. De Nederlander IJsbrand van den Berg zet bijvoorbeeld bijna iedere dag een stukje op zijn Boeklog over weer een nieuw boek; naar eigen zeggen is wat hij bespreekt dan nog maar een fractie van wat hij werkelijk leest. In Vlaanderen is er een man die zelfs twee weblogs weet te vullen met zijn gelees. Onder de naam Achille van den Branden (ontleend aan een personage in een boek van Tom Lanoye) schrijft ook hij een paar keer per week een uitvoerige bespreking van een boek -- van Plato tot Jeff Geeraerts; onder de naam Prins van Denemarken plaatst hij iedere dag een fragment van een boek; waarbij aangetekend moet worden dat die boeken vaak een paar dagen later door Van den Branden besproken worden.
Daarnaast zijn er de websites van de collectieven. Recensieweb heb ik hierboven al genoemd. Boekgrrls is er ook zo een, al is dit meer een discussieplatform of een elektronische leesclub dan een echte recensiewebsite ('Een mooie bespreking. Ik heb dit boek ook gelezen. Het verhaal fascineerde me maar in het einde vond ik de tragiek te sterk aangezet.') Van dat soort discussieplatforms zijn er overigens ook meerdere op het internet te vinden; zelfs de NRC, de krant waarin Herman Stevens' oorspronkelijke klacht verscheen, heeft er een.

  Traditionelere recensies verschijnen dan weer op onder andere Poëzierapport, een website van Philip Hoorne, Patricia Lasoen, Chrétien Breukers, Cees van der Pluijm, Alain Delmotte, Catharina Blaauwendraad, Paul Rigolle, Ronald Ohlsen en Yves Joris. Sommigen onder hen zijn redelijk bekende dichters; gezamenlijk zorgen ze voor een bont overzicht van wat er zoal aan dichtkunst verschijnt in Nederland.

Daarmee komen we op zo'n genre dat dicht tegen het leeslog aanzit, en dat in Nederland een relatief grote populariteit heeft: dat van het dichtersweblog. Het is moeilijk van dit genre een overzicht bij te houden, omdat er de hele tijd nieuwe worden opgericht, coalities worden aangegaan, transfers worden gesloten, enzovoort. Toch zijn er wel enkele constanten aan te wijzen. Zo is er de website Rottend Staal, een krant die door de dichter Bart FM Droog wordt uitgegeven vanaf het zelfgemaakte waddeneiland Epibreren. De krant heeft een tijdje stilgelegen, maar biedt de laatste maanden ineens weer iedere dag nieuws uit de fascinerende wereld van de vaderlandse dichtkunst. Droog heeft trouwens ook nog een privé-weblog op de website van de Volkskant.

Ik heb overigens geen idee wat het verschil verklaart tussen de poëzie en het proza: bij de eerste zijn het vooral de makers die weblogs voeren, poëzielezers vind je nauwelijks. Bij het laatste genre zijn het dan weer vooral de lezers die je overal op het internet tegenkomt. En ook daar weer: geen idee wat het verschil verklaart.
In de loop van de tijd zijn die boekbloggers of leesloggers, een standaardwoord is er nog niet voor, me lief geworden. Wat een plezier spat er eigenlijk af van weblogs als Moet je lezen!, Lezen is leuk!, Boekenwurm en pleeg (van een verpleegster) en Bibliothecaris in Blog. De stijl waarin die lezers hun liefde voor het lezen uitdrukken is misschien wat onbeholpen, en zelfs hun boekenkeuze is heus niet altijd de mijne, maar dat je zoveel onbekommerd plezier kunt hebben aan telkens weer een nieuw boek -- ook dat is een geluid dat je niet vaak verneemt in de boekenbijlage.

  Ook sommige recensenten die wel in de kranten schrijven, plaatsen hun stukken overigens op internet. Herman Stevens doet dat bijvoorbeeld zelf, Arie Storm (Het Parool), Ed Schilders (de Volkskrant) en Max Pam (HP/De Tijd). Je ziet meteen dat het heel andere stukken zijn dan elders op het web verschijnen: beter geschreven, beter geïnformeerd, beter doordacht. Toch kun je je afvragen wat de toekomst van dit soort stukken nog is. Recensies in de krant hebben allerlei functies die uiteindelijk best door de websites kunnen worden overgenomen: het signaleren van nieuwe boeken bijvoorbeeld, en zelfs het geven van een indruk wat die boeken precies te melden hebben.

Er zal altijd wel een markt zijn voor verdieping, voor artikelen die meer achtergrond geven dan zo'n stukje op het internet, maar de vraag is of de krantenrecensie die verdieping wel biedt. Dan denk je toch eerder aan een wat grootser essay. En voor het echte virtuoze proza kun je uiteindelijk toch nog steeds op een plaats het best terecht. Niet op het net, niet in de krant, maar in de boeken.
Marc van Oostendorp








zondag 25 maart 2007

Wat is er mis met de natuurkunde?

De natuurkunde is de moeder aller wetenschappen. Er zijn weinig disciplines die zo precies zijn, zulke prachtige technologische vruchten dragen en zulk diep inzicht in de werkelijkheid geven. Op velerlei wijzen geldt de natuurkunde dan ook als model voor de moderne wetenschap. Er zou een kloeke bundel zijn samen te stellen met passages in de twintigste-eeuwse taalkunde waarin de moderne fysica aan het eigen vak ten voorbeeld wordt gesteld: zulke rigoureuze formaliseringen, zo'n prachtig samengaan van theorie met experiment, zo'n onbevreesd formuleren van niet onmiddellijk waarneembare abstracties --- zo zou elke discipline georganiseerd moeten zijn.

Het zijn niet alleen de onderzoekers die zo denken. De twintigste-eeuwse wetenschapsfilosofie heeft ook de natuurkunde vaak als model genomen van de succesvolste manier om kennis te vergaren. En vooral: de financiering van de wetenschap lijkt meer en meer gebaseerd op het voorbeeld van de natuurwetenschappen. Een organisatie als NWO geeft de voorkeur aan onderzoeksprojecten waarin - anders dan in de geesteswetenschappelijke traditie - onderzoekers samenwerken aan projecten met een duidelijke doelstelling en een heldere eindtermijn. De te gebruiken methodologieën moeten worden vastgelegd. Een goede onderzoeker publiceert liefst een heleboel kleine artikeltjes, in plaats van af en toe een boek zoals voorheen gebruikelijk was.

Ik moet toegeven: de natuurkunde is voor mij ook altijd een voorbeeld geweest. Wij alfa's doen ons best, maar de échte wetenschap wordt door onze collega's bij wis- en natuurkunde bedreven. Voor wie dat gelooft, is lectuur van Lee Smolin's boek The Trouble with Physics (Wat er mis is met de natuurkunde) een verlichtende ervaring.

Volgens Smolin, zelf een onderzoeker die zijn sporen in de theoretische natuurkunde heeft verdiend, gaat het al twintig, dertig jaar niet goed met zijn vak. Aan het begin van zijn boek zet hij uiteen wat volgens hem dertig jaar geleden de grote onbeantwoorde vragen van het vak waren. Geen van die vragen is volgens hem in de loop van de afgelopen decennia opgelost. Waar in het vak in de tweehonderd jaar voor 1977 de ene belangrijke ontdekking werd gedaan na de andere, zit men nu muurvast.

Wat zijn dat voor vragen? Het grote probleem van de twintigste-eeuwse natuurkunde is dat de twee grote doorbraken, de kwantummechanica en de algemene relativiteitstheorie, ieder voor zich volkomen correct lijken te werken en allerlei zeer opmerkelijke voorspellingen hebben gedaan die ieder voor zich bleken te kloppen, maar dat ze niet compatibel zijn. Ze zijn allebei juist op hun eigen gebied, maar ze spreken elkaar tegen.

De afgelopen twintig, vijfentwintig jaar zoeken veel theoretisch natuurkundigen de oplossing voor die paradox in de zogenoemde 'snaartheorie' (string theory), die de twee onverenigbaren met elkaar zou moeten verenigen in een ingenieuze wiskundige constructie. Volgens Smolin zijn er echter twee problemen. De precieze formulering van de snaartheorie is na al die jaren nog helemaal niet compleet, nog nooit heeft iemand de uiteindelijke theorie echt precies opgeschreven. En de theorie heeft tot nu toe nog geen enkele interessante uitspraak over de werkelijkheid gedaan die juist bleek. Geen enkele diepgaande vraag is nog beantwoord door die theorie.

Die snaren kloppen dus theoretisch noch empirisch - dat zijn, zou je denken, dodelijke beweringen. Toch zijn volgens Smolin de afgelopen jaren vrijwel alle vaste banen in de (Amerikaanse) theoretische natuurkunde vergeven aan snaartheoretici. Jonge natuurkundigen die carrière willen maken, hebben geen andere keus dan zich tot die theorie te bekennen en zich de vreselijk ingewikkelde mathematische technieken eigen te maken die de theorie vereist. Mensen die iets anders doen, worden uitgelachen.

Hoe komt dit nu? Om dat uit te leggen maakt Smolin gebruik van het bekende, door de wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn geïntroduceerde, verschil tussen perioden van normal science enerzijds en revolutions anderzijds. In de eerste periode weten wetenschappers min of meer waar ze aan toe zijn en moeten er puzzels worden opgelost volgens een min of meer bekende patroon; na verloop van tijd stapelen de problemen zich echter op, en breekt er een revolutie uit. Het resultaat van zo'n revolutie is een wetenschappelijke paradigmawisseling, die weer nieuwe puzzels oplevert. Dan breekt er een nieuwe periode van normal science aan, waarin die puzzels kunnen worden opgelost.

Het probleem is nu, volgens Smolin, dat de moderne academische wereld steeds meer ingesteld is geraakt op normal science. De natuurkunde heeft een revolutie nodig, maar dat is niet mogelijk, gegeven de rigide systemen van publish-or-perish, peer review, enzovoort: allemaal bedenksels die de wetenschap onder controle moeten houden, en daarmee revoluties tegengaan. Dat werkt in de hand dat wetenschappers vooral braaf puzzels gaan oplossen, niet dat ze proberen de wereld op hun kop te zetten, ook als dat betekent dat ze daarover soms een paar jaar moeten nadenken zonder artikeltjes te publiceren. Het succes van de snaartheorie is volgens Smolin aan die houding te wijten: het is een poging een revolutie te bewerkstelligen met de methoden van normal science.

Al die bezwaren gelden natuurlijk ook ons eigen vak, gelden mogelijk ieder vak. Ons wordt altijd wijsgemaakt dat al die regels over publicaties en samenwerking en weet ik wat allemaal het model van de natuurwetenschappen volgen. Als wij geesteswetenschappers dat soort zaken ook invoeren, dan worden we misschien ooit net zo succesvol. Smolins boek laat zien dat dit een fabeltje is. Sterker nog: zelfs de moeder aller wetenschappen dreigt op haar knieën te worden gedwongen door die vreselijke controle- en uniformeringsdrang die de academie over de hele wereld in haar macht heeft. Wat er mis is met de natuurkunde, is mis met ons allemaal.

* Lee Smolin. The trouble with physics. The fall of string theory, the fall of a science, and what comes next. London: Allen Lane, 2006. Website: http://www.thetroublewithphysics.com/








maandag 19 februari 2007

De ontdekking van de zin

Niemand vindt het leuk om onzinnig werk te doen, en daarom houdt iedereen die geen bejaarden wast, voor dag en dauw het vuilnis ophaalt of in India bijstand verleent aan de allerarmsten, zich vast aan zijn illusies. De directeur meent dat hij enorme verantwoordelijkheden op zich neemt om de algehele welvaart op te voeren, de ambtenaar spiegelt zich voor dat de maatschappij in elkaar stort zonder mensen die de publieke zaak dienen, en de presentatrice van het belspelletje op tv heeft toch weer een paar mensen een genoeglijk halfuurtje bezorgd. De illusie van de onderzoeker - in ieder geval van mij - is dat de mensheid al eeuwenlang een kathedraal van kennis aan het bouwen is, en dat al zijn gezwoeg uiteindelijk een legosteentje bijdraagt aan die kathedraal. Al ben je zelf misschien een intellectuele kabouter, je staat niet alleen op de schouders van reuzen, maar op jouw schouders kunnen later ook weer nieuwe reuzen toch weer net wat hoger staan.

Dan is het vervelend als iemand het feestje komt verstoren. Dat is precies wat Joop van der Horst deed in de lezing die hij hield tijdens het laatste Taalgala, en die deze maand staat afgedrukt in Onze Taal. Van der Horst was genomineerd voor de LOT Prijs voor popularisering, die hij ook won. In zijn lezing gaat hij na waarom er eigenlijk zo'n prijs is. Eén veronderstelling die hij oppert: misschien komt het doordat er zo weinig te melden is over de taalkunde, dat je wel een heel goede popularisator moet zijn om er nog iets van te maken. Van der Horst zegt dan dat er veertig jaar geleden, toen hij ging studeren nog allerlei hooggespannen verwachtingen waren over het vak. We stonden op het punt een Universele Grammatica bloot te leggen, en zo een belangrijk onderdeel van de menselijke geest in kaart te leggen. En de computer zou door onze inspanningen ook menselijke taal kunnen gaan gebruiken.

Van die beloftes is niet veel gekomen. Volgens Van der Horst weten we nu op de keper beschouwd niet veel meer over taal dan pakweg in 1950. We hebben meer talen in meer detail in kaart gebracht, maar dat is vooral 'meer van hetzelfde'.

Er zijn misschien mensen die boos worden om zo'n laconieke ontkenning van de vrucht van al onze inspanningen, maar mij heeft het wel een genoeglijke middag bezorgd. Natuurlijk moet die Van der Horst ongelijk hebben, we slepen ons toch niet voor niets iedere dag weer naar kantoor. Wat voor inzichten hebben we in in de afgelopen 57 jaar precies bereikt?

Misschien zijn ze inderdaad niet zo schokkend als er ooit geroepen is. Aan het blootleggen van een Universele Grammatica wordt nog steeds gewerkt, ook door mij, maar je kunt niet zeggen dat we nu een heel duidelijk idee hebben over hoe een en ander precies in elkaar zit. Bovendien is het debat over wat er nu precies is aangeboren aan de menselijke taal en wat er op een andere manier - uit de cultuur, uit het feit dat taal gebruikt wordt, noem maar op - is ingesloten almaar verfijnder geworden, zodat iedereen nu redelijkerwijs moet zeggen: een deel is nature en een deel is nurture, al weten we nog niet precies wat nu wat is. Maar daar haal je de voorpagina van de krant niet mee. Zo kunnen computers nu ook een heel klein beetje en heel gebrekkig praten, en af en toe verstaan ze warempel ook een enkel woord, mits glashelder uitgesproken en precies passend in de context, maar dat ze zelfs over vijftig jaar maar kunnen praten, lijkt vooralsnog inderdaad vrij onwaarschijnlijk.

Wat dan wel? Ik zie twee belangrijke resultaten van de afgelopen 57 jaar. De eerste is de ontdekking van de zin - de explosieve ontwikkeling van de syntaxis en van de formele semantiek, die vooralsnog ook vooral succesvol is op het gebied van de betekenis van de zin. Voor zover ik kan zien gaat zelfs veel formele pragmatiek tegenwoordig over zinnen.

Natuurlijk was het begrip 'zin' voor 1950 niet helemaal onbekend: maar het systematische syntactische onderzoek bestond niet, en er waren nauwelijks instrumenten voor: Chomsky, Dik, Montague of Paardekooper, ze moesten allemaal hun werk nog schrijven. In grammatica's was de syntactische paragraaf minimaal. Allerlei taalkundige inzichten waren in geen velden of wegen te bekennen: ideeën over localiteit van afhankelijkheden of over spookonderwerpen of over compositionaliteit. (Wie goed zoekt, vindt ongetwijfeld voorafschaduwingen van die ideeën in eerdere literatuur. Maar dat geldt in onze postpostmoderne tijden voor ieder idee in ieder vakgebied.)

De tweede belangrijke ontdekking van de afgelopen vijftig jaar lijkt mij dat taalverandering en taalvariatie nauw met elkaar samenhangen: dat je de ene kunt bestuderen door naar de ander te kijken. Daarmee hangt direct samen dat men is gaan inzien hoe de sociale structuur van de samenleving op allerlei manieren in taalvariatie gereflecteerd wordt, en hoe taalverandering op verschillende wijzen uit verschillende lagen van de samenleving op gang kan worden gebracht.

Ook hiervoor geldt: natuurlijk waren er voor 1950 ook al mensen die over deze onderwerpen geschreven hebben - G.G. Kloeke in Nederland bijvoorbeeld - maar de grote inzichten in hoe een en ander werkt, zijn toch echt pas na 1950 gekomen.

Natuurlijk, 'Taalkundigen ontdekken zin' is niet echt een krantenkop waarmee je de wereld achterover doet slaan van verbazing, en dat geldt ook voor 'Talen veranderen voortdurend'. Maar de vraag is of dat in andere vakgebieden nu zoveel anders is. Van der Horst noemt er een paar; ik ben geen specialist op enig van die gebieden, maar ik zou ook niet zo goed kunnen opsommen wat voor grote resultaten daar bereikt zijn. De grote ontdekking van de afgelopen halve eeuw in de biologie lijkt me bijvoorbeeld de ontrafeling van het DNA, maar in zekere zin was dat ook alleen maar een uitwerking van ideeën die er voor die tijd al waren - is er sinds Darwin wel zoveel nieuws gebeurd? Ook wat er in de theoretische natuurkunde gebeurd is, lijkt me moeilijk in een pakkende kop samen te vatten: ja, de snarentheorie zou de kwantummechanica en de relativiteitstheorie moeten verenigen, maar die snarentheorie is nog even omstreden als het idee van een Universele Grammatica. Wat er precies voor opwindende ontdekkingen zijn gedaan in de wiskunde, die de resultaten van de taalwetenschap in de schaduw zouden stellen, is me al helemaal onduidelijk.

Iets anders is nog dat de kruisbestuiving tussen de taalkunde en allerlei andere disciplines steeds vruchtbaarder wordt: met de psychologie en de neurologie bijvoorbeeld. De taalwetenschap loopt daarbij naar mijn indruk niet altijd voorop, maar laat zich eerder door die andere disciplines op sleeptouw nemen. Maar hoe erg is dat? We zijn toch niet op de wereld om specifiek de taalwetenschap vooruit te brengen? We zoeken toch alleen naar kennis, onafhankelijk van waar die vandaan komt?

Zo is de meeste wetenschap nu eenmaal: er zijn meer legosteentjes dan hunebedden. Al met al hebben we - wij, de mensheid - waarschijnlijk meer kennis verzameld over hoe menselijke taal werkt dan in enkele eeuwen daarvoor. De grote doorbraak moet misschien nog komen, laten we het hopen. Maar tot die tijd ontdekken we vast genoeg boeiends en verrassends om ook af en toe de krant te kunnen halen.









zondag 7 januari 2007

Hoe streektaalfunctionarissen alles kapot maken

Ziet er één kiezer nu al reikhalzend uit naar de provinciale verkiezingen op 7 maart om de bestuurders in de provinciehoofdstad eindelijk uitbundig op de schouders te kunnen slaan vanwege het heilzame werk van de afgelopen vier jaar? Het is vast nuttige arbeid, gemeentebesturen coördineren en supervisie uitvoeren over de aanleg van provinciale wegen, maar warme gevoelens maakt het doorgaans niet los.

De provinciebesturen hebben er de afgelopen jaren een oplossing op gevonden: iedere provincie, zo lijkt het wel, heeft zijn eigen streektaal en zijn eigen streekcultuur. En een regio die een eigen taal heeft, zo'n regio moet volgens de geijkte formule van 'één taal = één natie' wel een eigen bestuur hebben. Dat bestuur moet dan wel iets doen ter bescherming van de eigen taal en cultuur, en dus zijn er de afgelopen jaren in alle provincies buiten de Randstad streektaalfunctionarissen aangesteld - mensen die rechtstreeks of iets minder rechtstreeks door de provincie worden betaald om activiteiten voor het dialect te ontplooien.

Voor zover ik het kan overzien, doen die streektaalfunctionarissen geen slecht werk. Ze helpen individuen en groepjes die dialectwoordenboeken maken of een dialectfestival willen organiseren, ze geven praatjes op de regionale radio, ze stellen lespakketten samen waarmee kinderen op school iets wordt geleerd over de geschiedenis en de achtergrond van hun dialect. Misschien zijn er mensen die over dat soort werk hun schouders ophalen; maar zouden er ook mensen zijn die het schadelijk vinden?
 
Ja, zulke mensen zijn er. Dat blijkt uit het boekje Lange leve de dialecten. Streektaalbeleid in Nederland, dat Roeland van Hout en Ton van de Wijngaard samenstelden naar aanleiding van de 'eerste nationale streektaalconferentie' die vorig jaar juni plaatshad in Maastricht. In het boekje komen allerlei mensen aan het woord die op de een of andere manier met het dialectbeleid te maken hebben: politici en wetenschappers, hoewel opvallend de streektaalfunctionarissen tijdens die conferentie zwegen.

De interessantste bijdrage vind ik die van Koen Jaspaert en Sjaak Kroon, twee gevestigde sociolinguïstische onderzoekers die bovendien de afgelopen jaren een forse stempel hebben kunnen drukken op het streektaalbeleid in ons taalgebied - Jaspaert onder andere als Algemeen Secretaris van de Nederlandse Taalunie, en Kroon onder andere als lid van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren. Het zijn dus onderzoekers die hebben laten zien dat ze vuile handen durven maken in het beleid, en uit hun essay 'Dialectbeleid: meer antwoorden dan vragen?' blijkt dat ze niet bang waren om tijdens de streektaalconferentie op de tenen van de meeste aanwezigen te gaan staan. Verderop in de bundel staat een verslag van de discussie waaruit blijkt dat slechts één persoon het met Jaspaert en Kroon eens was.

Het is dan ook een prikkelend betoog dat de twee houden: ze vinden streektaalbeleid niet alleen zinloos, ze betogen dat het zelfs kwaad doet. Ze nemen daarbij twee concrete beleidsinstrumenten in het visier: de instelling van streektaalfunctionarissen en het Europese Handvest voor Regionale Talen of Talen van Minderheden. Het laatste is een begin jaren negentig door de Nederlandse overheid getekend document. In eerste instantie werd het van toepassing verklaard op het Fries, inclusief een pakket aan maatregelen op het gebied van onder andere het onderwijs en de omroep. Na politieke druk werden twee streektalen - het Limburgs en het in de noordoostelijke provincies gesproken Nedersaksisch - op een wat lichtere manier erkend: zonder het pakket aan overheidsmaatregelen en dus feitelijk op een nagenoeg symbolische wijze. Ook het Jiddisch en de zigeunertalen Roma en Sinti zijn in die lichtere vorm erkend. Een aanvraag van de provincie Zeeland voor erkenning van het Zeeuws is enkele jaren geleden, na een negatief advies van de Nederlandse Taalunie, door minister Remkes van Binnenlandse Zaken afgewezen.

Waarom keren Jaspaert en Kroon zich tegen het voeren streektaalbeleid? Samengevat beweren ze dat het niet nodig is en dat het zelfs verkeerd uit kan pakken. Het is niet nodig: aan de hand van cijfers laten de auteurs zien dat het met de Nederlandse dialecten helemaal niet per se rampzalig slecht gaat, en dat de erkenning en de aanstelling van streektaalfunctionarissen weinig meetbaar effect hebben gehad.

De schadelijkheid zit hen er volgens Jaspaert en Kroon in dat officiële erkenning en officieel beleid een wankel evenwicht in de relatie tussen standaardtaal en dialect kan verstoren. In een gezonde situatie gebruiken mensen de standaardtaal voor hun officiële en formele communicatie en het dialect in informele contacten. Allebei de talen hebben daarmee hun eigen waarde: ze laten elkaar ongemoeid. Wanneer we nu de streektaal een semi-officiële functie geven, haar gaan onderwijzen op de scholen, gebruiken in vergaderingen van de Gedeputeerde Staten of op straatnaambordjes schrijven, creëren we wel concurrentie en die verliest het dialect geheid. Bovendien creëren we zo ineens twee groepen dialectsprekers: zij die het 'correcte' 'officiële' dialect spreken, en zij die dat niet doen. Een maatregel die bedoeld is om discriminatie tegen te gaan, verkeert zo in zijn tegendeel.

Dat klinkt op het eerste gehoor redelijk, en toch klopt het niet. In de eerste plaats zijn de zorgen van Jaspaert en Kroon wel erg vanuit de studeerkamer geformuleerd. De erkenning voor het Nedersaksisch en het Limburgs is nu ongeveer een decennium een feit: zijn de door de geleerden gevreesde effecten ook opgetreden in die regio's? Niemand heeft het onderzocht, maar ik durf te voorspellen dat dit niet het geval is. Dialectsprekers zijn hun Limburgs of Twents heus niet minder gezellig gaan vinden omdat het af en toe in een raadszaal gebruikt wordt, of omdat er boeken in geschreven worden. Van discriminatie van mensen die een 'verkeerd' dialect zouden spreken, heb ik ook nog nooit gehoord. Jaspaert en Kroon wijzen op de onverkwikkelijke discussie over 'wat de regels van het Algemeen Geschreven Limburgs' is, maar ze vergeten erop te wijzen dat die discussie gevoerd is door een zo marginaal groepje, dat zelfs de lezers van Lang leve de dialecten niet zullen weten over wie het gaat.

Geen enkel van de nare effecten van het streektaalbeleid heeft zich dus feitelijk voorgedaan. Daarbij komt dat Jaspaert en Kroon niet erg duidelijk maken waar ze precies de grens leggen. Volgens dezelfde redenering zou je het ook als een vergissing kunnen zien om het Fries te erkennen of te stimuleren: schadelijk voor de wendbaarheid voor het Fries! In het betoog zou je zelfs een argument kunnen vinden om de Nederlandse standaardtaal op te geven. We worden in bepaalde (internationale, formele) situaties toch al gedwongen om Engels te gebruiken - waarom zouden we het verschil in functie tussen de twee talen dan niet duidelijk markeren door het Nederlands - in de praktijk voor de meeste Nederlands de omgangstaal, omdat zij helemaal geen streektaal meer spreken - alleen nog informeel te gebruiken? Ik vermoed dat Jaspaert en Kroon niet zo ver zouden willen gaan; maar ik begrijp niet wat daarvoor de argumenten zijn.

De schadelijkheid van het streektaalbeleid lijkt me dus vooral theoretisch. Maar is het werk van die streektaalfunctionarissen en de erkenning van de streektalen dan niet toch in ieder geval zinloos? Ook dat geloof ik niet. In de praktijk zijn de Nederlandse streektaalfunctionarissen redelijke mensen die hun functie vooral gebruiken om hun provinciegenoten - dialectsprekers, schoolkinderen, bestuurders - te laten nadenken over taalvariatie: ze nemen misverstanden weg zoals dat je dom bent als je plat praat, ze geven inzicht in de microverschillen die zich in iedere regio voordoen, ze geven een inkijkje in de geschiedenis. Helaas zijn de meeste mensen op dit soort gebieden totaal onwetend, en het kan dan ook geen kwaad als er wat geld wordt gestoken in het kweken van wat meer kennis en begrip voor zoiets cruciaal menselijks als de taal - ook niet als politici dat doen uit oneigenlijke motieven.

Helaas bieden Jaspaert en Kroon geen alternatieven en het is ook moeilijk om te bedenken wat deze zouden moeten zijn. Als het gaat om regionale variatie, is de provincie misschien wel de meest aangewezen bestuurslaag om een en ander goed te regelen: dicht genoeg bij de inwoners om inzicht te kunnen bieden in de reikwijdte van de taalvariatie in het eigen gebied en groot genoeg om er ook iets aan te kunnen doen. Misschien moeten de provincies in de Randstad ook maar zo snel mogelijk een taalvariatiefunctionaris instellen. De bestuurder die dat voorstelt, ga ik op 7 maart uitbundig op de schouders slaan.

Roeland van Hout en Ton van de Wijngaard. Lange leve de dialecten. Streektaalbeleid in Nederland. Maastricht: Uitgeverij TIC, 2006. (Zie ook de boekaankondiging in Neder-L 0701.09, hierboven.)