Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 15 februari 2013

Een paar oude woorden uit het Huizer dialect


                                                                                                                            Door Viorica Van der Roest

Toen eind jaren vijftig Henk Rebel, alias Haindruk van ’t Noorderainde, op de radio een tekst in het Huizer dialect had voorgedragen, was het commentaar van mijn overgrootmoeder tegen mijn vader: ‘Dat was nijt goeëd. Hij had ’t over een skutteltje, mar ’t most een téëltjen wezen’. Het gevolg van een generatieverschil. Mijn overgrootmoeder was geboren in 1877, Haindruk van ’t Noorderainde zo’n dertig jaar later. In die periode waren er, met de import van nieuwe bewoners, ook nieuwe woorden in het Huizer dialect terecht gekomen. En zo kon de grootste voorvechter van het Huizer dialect in de twintigste eeuw een woord voor schotel gebruiken (wel aangepast aan het Huizer klanksysteem) dat Huizers van een generatie ouder vreemd in de oren klonk.

ëltjen voor ‘schotel(tje)’, wat is dat voor woord? Het blijkt verwant te zijn aan teil, eigenlijk niet gek als je de overeenkomst in vorm tussen beide voorwerpen in gedachten houdt.
Het Oudnederlands Woordenboek meldt: ‘Etymologisch zal de betekenis ‘aarden schotel’ voorafgaan aan die van ‘houten vat’. Het WNT weet te vertellen dat teil(e)/teel(e) net als tegel teruggaat op het Latijnse tegula: ‘dakpan’.  Die dingen werden blijkbaar overal voor gebruikt door onze verre voorouders: om op het dak te leggen, eten in te serveren, en in af te wassen, bijvoorbeeld.

Ik kom nog even terug op de marriekolf (‘Vlaamse gaai’) waar ik enkele weken geleden over schreef. Dankzij een tip van Daan Wesselink weet ik inmiddels meer over de etymologie van dit woord. Hij wees mij op de vorm meerkol, die tot in de twintigste eeuw gangbaar was voor ‘Vlaamse gaai’. Deze vorm gaat terug op markolf, dat al in de Middeleeuwen gebruikt werd. De 13e-eeuwse filosoof en theoloog Albertus Magnus wist te vertellen dat de vogel deze naam te danken had aan een literair personage, Marcolphus. Volgens het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands van M. Philippa (e.a.) schreef Magnus dat de vernoeming gebeurde omdat Marcolphus erg luidruchtig was en goed het geluid van vogels kon nabootsen.

Sommige andere etymologische woordenboeken verklaren de persoonsnaam Markolf als mark-wolf (‘grenswolf’), zonder echter duidelijk te maken waar deze theorie op gebaseerd is (of wat we ons bij een ‘grenswolf’ moeten voorstellen). Mij lijkt het literaire personage Marcolphus een betere verklaring voor de betekenis van het woord.

In de editie van het 15e-eeuwse volksboek Dat dyalogus of twisprake tusschen den wisen coninck Salomon ende Marcolphus van De Vreese en De Vries wordt uitgelegd wie Marcolphus was. Gedurende de Middeleeuwen waren er meerdere teksten met samenspraken van Salomo en Markolf in omloop. Salomo, met zijn reputatie als wijze koning, vertegenwoordigde hier de christelijke leer, en Markolf, een begaafd spreker en spotter, sprak hem tegen met eenvoudige ‘boerenwijsheid’.

Volgens De Vreese en De Vries is Marcolphus een verbastering van Marcolis, de Hebreeuwse vorm van Mercurius (de ‘heidense’ god van de wijsheid). De samenspraak tussen Salomo en een ander personage (soms Markolf en soms een ander) is een oud genre; in de Oudheid was het al populair. Die populariteit heeft dus tot na de Middeleeuwen gereikt, getuige de Duitse, Nederlandse, Engelse  en Latijnse volksboeken die er gedrukt zijn. En toen werd Markolf langzaam vergeten, maar een eigenwijze vogel bleef nog een hele tijd zijn naam dragen.