Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

donderdag 30 april 2015

Zorgen over de Taalunie

Vandaag is in De Standaard en NRC Handelsblad een artikel verschenen van de hand van de hoogleraren Judit Gera (Eötvös Loránd Universiteit, Boedapest), Matthias Hüning (Freie Universität Berlin), Marc van Oostendorp (Meertens Instituut, Amsterdam) en Johan Oosterman (Radboud Universiteit Nijmegen).

Hieronder staat het stuk en geven we een uitgebreidere lijst met namen van neerlandici uit Nederland, Vlaanderen, Suriname én de rest van de wereld die het stuk hebben ondersteund.

De redactie van Neder-L wil discussie over dit onderwerp graag stimuleren. Kopij kunt u kwijt bij redactie.nederl@gmail.com. Dat mag natuurlijk ook een verdediging zijn van het Taalunie-beleid.

Hier staat een verklaring van het bestuur van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek over deze kwestie; en hier een persbericht van de Taalunie.

Fataalunie


Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd, dus dat zag er vanochtend heel vroeg al zonnig uit, toen ik het artikel van Taalunie-secretaris Geert Joris las. Zijn weerwoord op de kanttekeningen van Marc van Oostendorp bij het door hem ingezette Taalunie-beleid zouden namelijk om heel hard te lachen zijn, als ze niet zo triest waren

Van Oostendorps bezwaren waren kort gezegd gericht op het desastreuze korten op alle vormen van onderwijs in het Nederlands buiten het Nederlands taalgebied, ingezet en uigevoerd onder bewind van de nieuwe algemeen secretaris Geert Joris.

Joris antwoordt dus, in een artikel dat een klassiekertje mag worden in colleges Taalbeheersing van het Nederlands (intra- én extramuraal) met als thema: hoe maak je zelf een beeld dat een opponent van je neerzet alleen nog maar erger? Een relatief-niet-in-de-materie ingewijde als bovengetekende ziet in Joris’ verweerschrift namelijk álles bevestigd wat bij Van Oostendorp al bleek inzake het nieuwe Taalunie-beleid - in mijn eigen woorden samengevat: hier is een inhoudsloze rekenaar aan het werk, met géén visie op de Nederlandse taal en cultuur op zichzelf of op nut en waarde van verspreiding ervan. Het ergste daarbij is nog de aperte onwil om te gaan staan voor eigen beleid en dat desnoods tégen de keer uitvoeren.

Dit is een willing executioner.

Etymologie: plengen

Door Michiel de Vaan

plengen ww. ‘uitgieten’

Zuidoostmiddelnl. plengen ‘mengen’ (1477), Vroegnieuwnl. plengen ‘knoeien, storten, uitgieten; zuipen, plassen’ (1577), ook verplengen (1619). De betekenis ‘voor de goden als een offer uitgieten’ is vanaf de achttiende eeuw bekend. Een dialectische variant is plingen (ca. 1599). Daarnaast sporadisch planghen (1645).

Slechts weinig verwante woorden bekend: Middelnederduits plengen, plangen ‘mengen; ophitsen, ruzie stoken; bedriegen’, plenger ‘oproerkraaier, leugenaar’, Mnd. Mhd. plang, planc m. (gen. planges) ‘twist, tweedracht’. Voor het Nederlands moeten we uitgaan van een pejoratieve betekenisverandering van ‘mengen’ naar ‘knoeien, uitgieten’ en tenslotte de huidige, ceremoniële connotatie.

Docentontwikkelteam Taalkunde in het voortgezet onderwijs

Door de Radboud Docenten Academie worden in het academisch jaar 2015-2016 enkele Docentontwikkelteams (DOTs) georganiseerd. In zo'n DOT werken docenten onder aansturing van een of twee projectleiders samen aan het oplossen van een gedeeld vraagstuk uit hun eigen onderwijspraktijk, of wordt er nieuw lesmateriaal voor de eigen school ontwikkeld. Voor het schoolvak Nederlands gaat er per september onder andere een DOT Taalkunde in het voortgezet onderwijs van start, onder leiding van Peter-Arno Coppen en Peter de Swart. Inschrijven voor deze DOT kan tot 30 juni 2015. Zie hier voor meer informatie.

IJsberen in het Engels en het Nederlands

Door Marc van Oostendorp

Let's do an experiment. Please watch the following video and describe in one sentence what you see:


Yes, that's right: this polar bear is walking.

Ach, wat dom van mij! Dit is een Nederlandstalig weblog, natuurlijk. Opnieuw! Kunnen jullie nog eens naar de video hierboven kijken en me vertellen wat er gebeurt?

Een schoone historie van Palmerijn van Olijve : Hoofdstuk 10



Een seer schoone ende ghenoechelicke
historie vanden aldervroomsten ende vermaertsten ridder

Palmerijn van Olijve,

sone van den coninck van Macedonien, ende van de schoone Griane,
dochter van Remicius, keyser van Constantinopelen,
de welcke vele wonderlicke avontueren in haren leven ghehadt hebben,
seer ghenoechelick ende playsant om lesen.


[zoals gedrukt te Arnhem door Jan Janszen, boeckvercooper in 1613]





Alle tot nog toe gepubliceerde hoofdstukken in één pdf:


woensdag 29 april 2015

Waar is dat feestje?


Vorige week verscheen op deze site een stuk van Marc van Oostendorp onder de titel  'Boycot het Taalunie-feestje'. Ik wil hier graag op reageren, omdat Van Oostendorp zich baseert op onjuiste informatie. Ik wil voorkomen dat mensen ten onrechte boos en ongerust worden gemaakt. Daarom dus dit antwoord.

Bezuinigingen en managers 

In 2012 beslisten de bevoegde ministers om de Taalunie grondig te vernieuwen. Daartoe werd geen inhoudelijke taalkundige aangetrokken, maar een manager met meer dan louter interesse voor de inhoud. Een generalist op het vlak van de inhoud, een specialist op het vlak  van de organisatie. Inhoudelijke deskundigheid is er binnen de Taalunie immers voldoende aanwezig en waarom zou die niet in banen mogen worden geleid? Wie mij verwijt dat ik een manager ben, gaat voorbij aan datgene waaraan de Taalunie behoefte had. Ik zie in de omschrijving ‘manager’ overigens geen verwijt.

Voor de periode 2011 tot 2015 heeft de Taalunie twee opdrachten gekregen. Enerzijds werd een besparing opgelegd van 20 procent, anderzijds werden we verplicht om na te denken over onze doelstellingen en kerntaken. De tweede opdracht werd uiteraard beïnvloed door de eerste. Een bezuiniging van 20 procent laat geen ‘kaasschaafmethode’ toe. Die vraagt dat je keuzes maakt. Daarbij hebben we gekeken naar wat tot de kerntaken behoort en wat niet.


Dat ze haar hand maar eens in eigen boezem steekt!

Door Marijke De Belder

De spelling is als het slag mensen dat er vilein genoegen in schept wanneer je een puistje, een haar op je tepelhof of een extra pondje ontwikkelt. In elk futiel falen weet zij het leedvermaak te vinden. Zo zit zij vanop haar troon hautain met haar hete adem in je nek te blazen smekend om de dag waarop je over choquante przewalskipaarden moet schrijven of –oh, geen schitterender jolijt- een dt-fout maakt.

Als een zwaard van Damocles hangt ze boven onze hoofden en ze lijkt daarbij niet te beseffen dat ze slechtgesmeed is. Want wat er soms echt fout gespeld is, is de spelling zelf. Aha, laat ons het daar eens over hebben!

12 juni 2015: Afscheidssymposium Olf Praamstra, Universiteit Leiden

Een tint van het Indische Oosten

Symposium bij het afscheid van Olf Praamstra


Datum en tijdVrijdag 12 juni 2015, 14.00-15.30 uur
Locatie: Academiegebouw, Klein Auditorium, Rapenburg 73 Leiden
Gevolgd door: Afscheidscollege Olf Praamstra Academiegebouw Groot Auditorium, 16.00 uur

De volgordelijkheid der dingen

Door Marc van Oostendorp
Er zijn mensen die een enorme hekel hebben aan vergaderingen, maar ik vind dat je er altijd wat van opsteekt. Gisteren, bijvoorbeeld, mocht ik urenlang luisteren naar een bestuurder die het ene achtervoegsel aan het andere hechtte en zo uiteindelijk kwam tot het woord volgordelijkheid.

Je kunt zo iemand natuurlijk verfoeien: waarom niet volgorde gezegd? Dat is toch veel korter? Blijkt hieruit niet de taalonmacht der vergaderende kaste?

Maar dat klopt toch ook niet helemaal. Dat blijkt bijvoorbeeld uit ordelijkheid.

dinsdag 28 april 2015

Inhoudsopgave Onze Taal, mei 2015

84ste jaargang nummer 5


Harrie Scholtmeijer
'Rotterdam' is een schip dat door de haven vaart
De etymologie van Nederlandse gebaren

Als een gebarentaalspreker met zijn handen snorharen 'maakt', is het wel duidelijk welk dier hij bedoelt, en waar dit gebaar vandaan komt. Maar soms zitten er aan de herkomst van gebaren heel verrassende verhalen vast.

Gaston Dorren
Staan doven straks met lege handen?
De noodzaak van gebarentaal

De Nederlandse Gebarentaal bloeit als nooit tevoren. Maar het aantal gebruikers neemt af, nu veel kinderen een gehoorimplantaat krijgen. Dat maakt gebarentaal overbodig, volgens veel artsen. Hoogleraar Beppie van den Bogaerde vindt dat een schadelijke misvatting.

Jan Erik Grezel
Onze Taal-lezers in de MRI-scanner
Hoe reageren je hersenen op grove taalfouten?

Constructies als hun hebben en het meisje die zorgen voor veel ergernis. Taalwetenschapper prof. dr. Helen de Hoop onderzocht deze 'normschendingen', en vooral ook de emoties die ze oproepen. Met volle medewerking van Onze Taal-lezers.

Riemer Reinsma
'Het klinkt als 'Joden weg'!'
Omstreden straatnamen met de woorden Joden en smousen

Een naam als Jodenweg kan aanstootgevend zijn. En dat geldt al helemaal voor straatnamen die een schéldwoord voor 'Jood' bevatten, zoals smous. Waarom bestaan sommige van die namen dan nog steeds?


Beste team

Door Marc van Oostendorp


"Beste team", stond er boven een e-mail en ineens besefte ik dat ík zo laf ben dat ik geneigd ben zulke constructies te vermijden. Ik zou er dan beste team-leden boven zetten of zelfs beste allemaal.

Dat beste team niet goed klinkt, komt deels doordat team een collectief beschrijft – beste groep klinkt ook een beetje raar. Aan de andere kant kunt je geloof ik best beste redactie of beste regering boven een brief schrijven. Ik heb geen idee hoe dat zit, en kan sowieso eigenlijk niets vinden over deze aanhefconstructie: waarom werkt het de ene keer beter dan de andere? De ANS en de Syntax of Dutch zwijgen.

Een andere factor is dat team onzijdig is – en dus in ieder geval in sommige gevallen geen uitgang kan hebben.

maandag 27 april 2015

Gezocht: redactieassistent Nederlandse Taalkunde

Het tijdschrift Nederlandse Taalkunde is op zoek naar een nieuwe redactiesecretaris. Nederlandse Taalkunde publiceert bijdragen aan de wetenschappelijke studie van de Nederlandse taal in de ruimste zin van het woord, vanuit zoveel mogelijk verschillende vakgebieden binnen de Nederlandse taalkunde en benaderingen binnen die vakgebieden. Het tijdschrift verschijnt drie maal per jaar.

De redactiesecretaris onderhoudt het contact met de auteurs, de externe beoordelaars en de uitgever, en maakt de kopij gereed voor opmaak en publicatie door de uitgever. De redactiesecretaris ontvangt een kleine vergoeding uit de jaarlijkse royalties.

We zijn op zoek naar iemand die
  • affiniteit met de Nederlandse taalkunde heeft,
  • zich meerdere jaren wil en kan committeren aan het redactiesecretariaat, en
  • over sterke organisatorische en communicatieve vaardigheden beschikt.
  • beschikbaar is twee- tot driemaal per jaar naar een redactievergadering (meestal in Utrecht) te komen


Kandidaten kunnen een korte motivatiebrief en een beknopt CV aan de voorzitter, Ronny Boogaart (r.j.u.boogaart@hum.leidenuniv.nl), sturen vóór 15 mei 2015.

De spook-t van Lier

Door Marc van Oostendorp


Een speling van het lot bracht me naar Lier, een charmant stadje in de buurt van Antwerpen en iedere rechtgeaarde taalkundige denkt dan even aan de spook-t van die stad, sinds Didier Goyvaerts daar in 35 jaar geleden een artikel over publiceerde.

In Lier spreken ze, net als in veel andere plaatsen in ons taalgebied de t aan het eind van allerlei woorden niet uit. In plaats van met zeggen ze mè, in plaats van niet zeggen ze nie, in plaats van dat da en wat wa.

Nou goed, kun je zeggen, de tand des tijds heeft daar toegeslagen en de t van het eind van die woorden afgeknabbeld. What else is new. Maar in Lier is nog wel meer aan de hand.

Dat kun je bijvoorbeeld zien aan het woord volk (of vollek, zoals ze zeggen in Lier).

Een schoone historie van Palmerijn van Olijve : Hoofdstuk 9



Een seer schoone ende ghenoechelicke
historie vanden aldervroomsten ende vermaertsten ridder

Palmerijn van Olijve,

sone van den coninck van Macedonien, ende van de schoone Griane,
dochter van Remicius, keyser van Constantinopelen,
de welcke vele wonderlicke avontueren in haren leven ghehadt hebben,
seer ghenoechelick ende playsant om lesen.


[zoals gedrukt te Arnhem door Jan Janszen, boeckvercooper in 1613]





Alle tot nog toe gepubliceerde hoofdstukken in één pdf:


zondag 26 april 2015

Laat jij maar zitten

Door Marc van Oostendorp

Een gesprek met Hans Bennis over de taalkunde achter ingekort Nederlands.



(Hier is het interview; het boek Korterlands van Hans Bennis kunt u hier bestellen.)

zaterdag 25 april 2015

De die

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (17)

Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp


Hét ritme van een sonnet werd aan het begin van de zeventiende eeuw de alexandrijn, van twaalf lettergrepen. Dat zijn er veel – het wordt al betrekkelijk moeilijk om dat nog als geheel in je hoofd te laten klinken. Dus werd een regel vaak precies in het midden, na zes lettergrepen, afgebroken door een rust.

Dat deed Justus de Harduwijn bijvoorbeeld in het achttiende sonnet van zijn Weerelicke liefde tot Roose-mondt. Let maar op: op de derde tadám eindigt niet altijd alleen een woord, maar ook een logisch bij elkaar horend deel van de zin:


vrijdag 24 april 2015

Hoe neutraal is een vraag?

Door Lucas Seuren

Onderzoek naar vragen neemt al decennia een centrale rol in onder taalkundigen; het is lastig om een artikel te vinden over het onderwerp waarin niet wordt verwezen naar het werk van Dwight Bolinger uit de jaren 50. Desondanks weten we nog maar weinig. Zelfs de discussie over wat een vraag is, is verre van geslecht. Waar veel taalkundigen wel op aansturen is dat de grammaticale vorm van de vraag samenhangt met de neutraliteit van de vraag. Die vorm beperkt namelijk het antwoord dat de respondent kan geven; hoe minder ruimte de respondent heeft, hoe minder neutraal de vraag. Een sterk sturende vraag zoals “is de afkondiging van de noodtoestand niet het bewijs dat uw beleid niet gewerkt heeft?” – het verwachte antwoord bevestigt dat het beleid niet gewerkt heeft – is dus absoluut niet neutraal. Maar in hoeverre is er daadwerkelijk een relatie tussen grammatica en neutraliteit?

Tweetaligheidscampagne

Door Leonie Cornips

Vaak hoor ik dat spreken van dialect door jonge kinderen een goede taalbeheersing van het Nederlands belemmert. Taalachterstand in het Nederlands wordt dus vanzelfsprekend gekoppeld aan tweetaligheid. Toch is dat niet zo. Jonge kinderen kunnen moedertaalspreker van twee talen worden zoals van dialect, Pools, Engels, Turks en Nederlands. Het dialect geldt, net als het Engels, als een taal en het doet er niet toe welke twee talen het kind van huis uit meekrijgt. De gedachte dat tweetaligheid taalachterstand oplevert klopt nog meer niet omdat kinderen die van huis uit alleen Nederlands spreken net zo goed met een taalachterstand in groep 1 kunnen beginnen. 

Waarom pleit ik voor het opvoeden van jongs af aan in twee talen?

Boycot het Taalunie-feestje

Door Marc van Oostendorp

Vroeger moest ik weleens glimlachen om de Taalunie, die overheidsorganisatie die eigenlijk voor het Nederlands moet zorgen maar die vooral praatjes verkoopt. Die sinds een paar jaar aan de hoofd een man heeft die er trots op is dat hij manager is, omdat je dan tenminste geen inhoudelijke kennis nodig hebt en je lekker fris tegen de zaken aan kunt kijken. Een man die twee jaar geleden 'het debat over taal ging aanjagen' en nog steeds naar het vliegwiel zoekt.

Het lachen is me sinds kort vergaan. De Taalunie doet niet langer alleen onzinnige dingen met zijn geld. Ze is bezig schade toe te brengen aan onze taal. Zoals deze week blijkt gaat het zo ongeveer alle kernactiviteiten afschaffen. Wat doorgaat: het zichzelf zelfgenoegzaam in duur propagandamateriaal feliciteren

donderdag 23 april 2015

Uit de Europese mal. Europese hypes in de Nederlanden [Herhaalde oproep]



Call for papers Congres Werkgroep De Zeventiende Eeuw

Zaterdag 29 augustus 2015, Radboud Universiteit Nijmegen



In een tijd waarin (de betekenis van) Europa druk bediscussieerd wordt, vraagt het jaarcongres van de Werkgroep Zeventiende Eeuw aandacht voor vroege Europese hypes, modes en trends. In zeventiende-eeuws Europa volgden deze elkaar in rap tempo op. Petrarkistische sonnetten veroverden snel terrein tijdens de vroege zeventiende eeuw, encyclopedieën deden dat aan het eind van de eeuw. Vorsten overal in Europa namen de Habsburgse en Franse hofcultuur over, terwijl architectuur, iconografisch programma en politieke en economische ambitie van bijvoorbeeld het Amsterdamse stadhuis (1648-1655) duidelijk geënt zijn op vergelijkbare monsterprojecten elders in Europa. Het kansspel was net zo goed een Europese hype als de hang naar utopische initiatieven. Reizende en migrerende kunstenaars, kooplieden, wetenschappers en charlatans droegen bij aan de verspreiding van hypes. 

30 mei 2015: Klokkenluider of querulant? Multatuli en andere klokkenluiders

Ad Bos, Edward Snowden, Arthur Gotlieb: de laatste tijd zijn er regelmatig klokkenluiders in het nieuws. Multatuli was misschien wel de eerste klokkenluider ooit. Een goede reden om het fenomeen klokkenluider nader onder de loep te nemen.

Wat kan Multatuli ons leren? Wat is de wenselijkheid van klokkenluiders in onze samenleving? Hebben Multatuli en zijn mede-klokkenluiders een substantiële bijdrage geleverd? Klokkenluiders kunnen waardevol zijn als aankaarters van misstanden, maar ook lastig als onruststokers, of zelfs irritant als onbetamelijke ruziezoekers die uit zijn op eigen gewin. De ophef heeft in Nederland zelfs aanleiding gegeven tot nieuwe wetgeving, om te voorzien in een “Huis voor klokkenluiders”. Op dit symposium proberen we met sprekers, een interview en een forumdiscussie een antwoord te vinden op deze vragen.

Met bijdragen van Philip Vermoortel (Hoogleraar Letterkunde KU Brussel), Theodor Holman (publicist), Ronald van Raak (Kamerlid SP en initiatiefnemer Wet Huis van de Kokkenluider), Winnie Sorgdrager (lid Raad van State), Tom Böhm (Letterkundige), Dik van der Meulen (Biograaf van Multatuli) en Jeroen Wester (NRC-redacteur en redacteur dagboek van NzA-klokkenluider Arthur Gotlieb). Dagvoorzitter: Arend Jan Heerma van Voss (publicist).

Zie voor meer informatie: de website van de Balie

Addenda EWN: paaien

Door Michiel de Vaan

paaien (1) ww. ‘tevredenstellen’

Vroegmiddelnederlands hem gepaijt houden ‘zich tevreden(gesteld) voelen; zich (financieel) voldaan beschouwen’ (1265–1270), payen ‘betalen’ (1285), wlpait ‘volledig betaald’ (1297). Laatmnl. payen, Vroegnnl. pa(e)yen, paaien ook ‘tot rust brengen, sussen, verzoenen’. Daarnaast ook Mnl. zn. paye ‘betaling’ (1300), Vnnl. paye, paai ‘betalingstermijn, soldij’. Vanaf de 16e eeuw komt sporadisch de variant peyen (1589), peien voor, die op hernieuwde ontlening aan het Frans kan berusten (met de moderne uitspraak van payer).

Wat betekent 'nee'?

Door Marc van Oostendorp


Als een rechercheur nee zegt, wat bedoelt ze dan? Neem het geval van Dikke Tony, een maffiabaas die het handig leek om te doen alsof hij vermoord was. Her en der heeft hij rond de scheepswerven 'aanwijzingen' voor die moord verstopt. Die aanwijzingen worden gevonden en onderzocht door forensische wetenschapper Smit, die een voorzichtige conclusie trekt:
  • Misschien is Dikke Tony omgebracht.
Nu trekt rechercheur Betsie erop uit en ontdekt dat Dikke Tony levend en wel ondergedoken zit in een rustiek boerderijtje. Ze zegt dan tegen Smit:
  • Nee, Dikke Tony leeft nog!
Dat dialoogje blijkt allerlei filosofen en taalwetenschappers in de problemen te brengen. Want wat bedoelt Betsie met dat nee? Wat betekent nee eigenlijk?

Een schoone historie van Palmerijn van Olijve : Hoofdstuk 8



Een seer schoone ende ghenoechelicke
historie vanden aldervroomsten ende vermaertsten ridder

Palmerijn van Olijve,

sone van den coninck van Macedonien, ende van de schoone Griane,
dochter van Remicius, keyser van Constantinopelen,
de welcke vele wonderlicke avontueren in haren leven ghehadt hebben,
seer ghenoechelick ende playsant om lesen.


[zoals gedrukt te Arnhem door Jan Janszen, boeckvercooper in 1613]






woensdag 22 april 2015

Taalsymposium: Taal in een multiculturele samenleving



Op woensdag 20 mei 2015 organiseren Avans Hogeschool en Hogeschooltaal het symposium Taal in een multiculturele samenleving. Bestuurders, taalwetenschappers, docenten en ervaringsdeskundigen zullen met elkaar in gesprek gaan over taaldiversiteit. Daarbij staat het belang van een goede beheersing van het Nederlands om succesvol te kunnen zijn in loopbaan en samenleving centraal.

De sprekers zullen ingaan op actuele thema's die de opleiders van studenten in het middelbaar en hoger onderwijs bezighouden: het economisch belang van een goede taalbeheersing; de zorgen in de politiek over de kwaliteit van het onderwijs in het Nederlands; niveaubepaling en toetsing; de positie van de anderstaligen in een Europees kader en de dreigende verwaarlozing van het Nederlands onder de druk van Engels als instructietaal.

Heel veel vragen!

De managers automatiseren het stellen van vragen in onze managersgruwelserie De verleden tijd van lijken.

Door Marc van Oostendorp
De ietwat saaie vakdidacticus Gerard werd er enigszins duizelig van. Sinds hij in een manager was veranderd, waren de veranderingen wel heel snel gegaan. De boomlange promovenda Sophie en de postdoc Femke hadden de kamer van een hoofd communicatie van het bureau van de decaan bezet met onduidelijke eisen, waren daar door Wouter met geweld uitgegooid terwijl ze net een gevulde koek aan het oppeuzelen waren, terwijl ondertussen Joop en Rie – respectievelijk gespecialiseerd in het middelnederlandse voegwoord en de geschiedenis van de neerlandistiek tot 1800 – druk bezig waren geweest met outreach.

En ondertussen moesten er vragen gesteld worden! Heel veel vragen! Terwijl iedereen maar een beetje wat zat aan te rotzooien op de afdeling, was er een belangrijke deadline op 1 mei! Dan ging de Nationale Wetenschapsagenda sluiten, en zoals iedereen wist zouden dan de stemmen geteld worden: welke afdeling had er de meeste vragen gesteld? Die afdeling zou de meeste geldelijke middelen krijgen.

De collega's in Utrecht hadden al 210 vragen gesteld, had Gerard geteld, en die in Leiden zelfs al 230.

dinsdag 21 april 2015

Hoe zeggen we 'suiker'?

door Jan Stroop

(Dit is de uitwerking van de presentatie die ik op 15 december 2013 te Roosendaal gehouden heb, in 't kader van de expositie 'Suikergoed'.)




Van ’t woord suiker bestaan in de  Nederlandse dialecten minstens negen verschillende uitspraken:  suiker, suker, sökker, soiker, seuker, soeker, soker, sokker en sukker. En ze gaan allemaal terug op één oervorm.


De herkomst van ’t woord suiker is bekend. De oudste vorm is sakkharâ. Dat woord is uit India, waar ’t eerst riet verbouwd werd dat suiker opleverde. Vanuit India zijn de rietsuikercultuur en de benaming voor ‘suiker’ overgenomen door andere gebieden in ’t Midden-Oosten. Rond 600 leerden de Perzen die techniek van suiker winnen; de benaming kreeg een Perzische gedaante: šakar. Daarna maakten de Arabieren er kennis mee. Zij verbreidden de kunst van het telen van suikerriet naar Egypte, in de 8e eeuw naar Andalusië en vervolgens naar Sicilië.

Steeds meer te eenvoudige uitleg

Door Marc van Oostendorp


Ik heb een collega die het niet goed vindt wat ik hier doe. Ik leg de zaken te eenvoudig uit, vindt hij. Het is juist zaak de mensen duidelijk te maken dat alles veel ingewikkelder is dan ze denken, niet om ze te vereenvoudigen.

Het is een bekend probleem, misschien vooral in de geesteswetenschappen. Ik heb het ooit Ringbaums dilemma genoemd, naar een personage in de roman Changing Places van David Lodge. In die roman komt een letterkundige voor die Ringbaum heet en enorm eerzuchtig is. Nu moet hij meedoen aan een spelletje waarin je punten kunt winnen door boeken te noemen die jij nooit gelezen hebt en zoveel mogelijk andere deelnemers aan het spel wel. Ringbaum raakt hierdoor enorm met zichzelf in de knoop. Wanneer hij toegeeft een klassieker niet gelezen te hebben, kan hij veel punten winnen en bevredigt zo zijn eerzucht; maar tegelijkertijd staat hij te kijk als een ongeletterde.

maandag 20 april 2015

Het reisverhaal van Coenraad Ruysch. Deel VII: Rome

Wij publiceren hier een kritische editie van het reisverslag van Coenraad Ruysch, verzorgd door Alan Moss van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hieronder staan links naar de tot nu toe verschenen delen:
Alan Moss heeft ook een eigen, informatieve, website.

Ik luk dat

Door Marc van Oostendorp


"Taalverandering waar je bijstaat," meldde onlangs een jonge moeder op Facebook. Haar zoontje had gezegd Ik luk dat.

Het is helemaal niet onwaarschijnlijk dat het Nederlands inderdaad dat zoontje gaat volgen. Wie weet wat de eenentwintigste eeuw ons nog allemaal gaat brengen! De verandering gaat in ieder geval de juiste kant op.

Waarom is de ene woordgroep het onderwerp van een zin en de andere woordgroep het lijdend voorwerp? Dat moet je voor een deel uit je hoofd leren: het hangt maar van het werkwoord af. In het Engels is I het onderwerp in I like that terwijl in het Nederlands Dat het onderwerp is van dat bevalt mij.

Toch wordt iedere taal geteisterd door een almaar voortdurende hang naar logica.

Een schoone historie van Palmerijn van Olijve : Hoofdstuk 7



Een seer schoone ende ghenoechelicke
historie vanden aldervroomsten ende vermaertsten ridder

Palmerijn van Olijve,

sone van den coninck van Macedonien, ende van de schoone Griane,
dochter van Remicius, keyser van Constantinopelen,
de welcke vele wonderlicke avontueren in haren leven ghehadt hebben,
seer ghenoechelick ende playsant om lesen.


[zoals gedrukt te Arnhem door Jan Janszen, boeckvercooper in 1613]






zondag 19 april 2015

19 juni 2015: Research Workshop Weerbaarheid in rampzalige tijden

Research Workshop
Weerbaarheid in rampzalige tijden: de verwerking van historische catastrofen in de Lage Landen (ca. 1600-1850;  Resilience in disastrous times: the processing of historical catastrophes in the Low Countries (ca. 1600-1850) 

Datum en tijd:  19 juni 2015; 10:00-17:30
Locatie: Academiegebouw Rijksuniversiteit Groningen, zaal A3
Languages / voertalen: Nederlands en Engels

AANMELDEN s.v.p. voor 1 juni bij Marijke Meijer Drees: m.e.meijer.drees@rug.nl

Workshop The Circulation of Dutch Literature, Den Haag, 28-30 mei

Het internationale congres An International Network Studying the Circulation of Dutch Literature (CODL) vindt in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag plaats op 28-30 mei 2015. Er staan onder andere ruim vijftig lezingen, twee paneldiscussies, twee presentaties op het programma, met een kans om enkele hoogtepunten van de KB- collectie te zien en avondprogramma’s. Het belooft een boeiend congres te worden.
Zie hieronder het voorlopige programma en klik hier (link) om het programma te downloaden. Klik hier (link) om de abstracts van de lezingen te downloaden.
Wil je het congres graag bijwonen? Vul dan via deze link het inschrijvingsformulier in. Iedereen is van harte welkom om te komen luisteren, ook als je geen lid bent van CODL.
The international conference An International Network Studying the Circulation of Dutch Literature (CODL) will take place in The Hague from the 28th until the 30th of May 2015. There are more than 50 papers, two panel discussions and two presentations scheduled with a presentation of the highlights of the KB and evening programmes.
Please find below the provisional programme which you can also download here (link). The abstracts of the presentations you can find here (link).
If you want to visit the conference just fill in the registration form here. Everyone is more than welcome to come and listen to the presentations, also if you are not participating in CODL directly.

Omdat de wereld zo ellendig is

Door Marc van Oostendorp

Olga van Marion vertelt waarom het gedicht Ooghentroost van Constantijn Huygens nog altijd troost biedt.


(Video staat hier. Lees Ooghentroost bij de DBNL.)

zaterdag 18 april 2015

Menig minnaar

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (16)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp


Jezelf tegenspreken is misschien geen teken van liefde, maar wel van verliefdheid. Nadat Justus van Harduwijn in sonnet 4 van De weerliicke liefden tot Roose-mond, dat ik vorige week besprak, uitgebreid het blonde haar, de lipjes en de borstjes van zijn geliefde heeft bezongen, draait hij in het volgende gedicht ineens bij: 

T'en is de blondheydt niet van u ghestruyvelt hair,
Ten is u voor-hooft niet zoo maetigh opgheresen,
Ten is u wind brauw' niet, noch uwen mond ghepresen,
En vierighlijck aenbeen van zoo menigh minnaer;

T'en zijn u lipkens niet, die elcken-een voorwaer
Wonden alst hen ghelieft, en wederom ghenesen;
Ten zijn u deughden niet, noch u bevalligh wesen,
Noch het toov'righ ghelaet dat in u schijnt eenpaer;

T'en zijn u wanghen niet, met purpur-root begoten;
T'en zijn die peerels niet, in uwen mondt ghesloten;
T'en is u taele niet, nochtans als heunigh zoet;

Maer t'ghene dat mijn ieughd' als een bladt comt verdrooghen,
En mijn ionck-iaerigh hert van binnen branden doet,
En is anderssins niet, dan t'raeyssel uwer ooghen.

Het sonnet is ook een klassieke vorm voor tegenspraak.

vrijdag 17 april 2015

Is Duits verstaanbaarder dan Nederlands?

Door Marc van Oostendorp

Dat er een asymmetrie is, wisten we al. Uit eerder onderzoek was al gebleken dat Nederlanders door de bank genomen makkelijker Duits verstaan dan andersom. Waar dat precies aan ligt, is minder duidelijk. Komt het doordat relatief veel Nederlandstaligen Duits op school leren? Doordat wij vaker naar Tatort kijken dan zij naar Flikken? Doordat zij nu eenmaal een grotere taal hebben die bovendien gesproken wordt in een economisch machtiger gebied?

Of zou het ook aan de talen kunnen liggen? Op die vraag richten Charlotte Gooskens, Vincent van Heuven en Renée van Bezooijen zich in een nieuw artikel in het vakblad Linguistics. Zij deden daarvoor iets voor de hand liggends dat desalniettemin nooit eerder gedaan was:

donderdag 16 april 2015

Addenda EWN: overtollig

 Iedere week bespreekt Michiel de Vaan een woord waarvan de verklaring in het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands ontbreekt (of onvolledig is).

Door Michiel de Vaan

overtollig bn. overbodig

Vroegmiddelnederlands ouertulleg (12761300), ouertolleg (12911300) overvloedig, ouertullechheit (12651270) onmatigheid, Nnl. overtollig. Daarnaast, vooral in Hollandse teksten, overtallich overvloedig (1330), overduidelijk (1353) en in het oosten ook overtellich. Vanaf 1600 overheerst overtollig, terwijl overtallig in frequentie afneemt en zich na 1700 in betekenis beperkt tot boventallig. De vormen met -tull- en -tell- vertonen umlaut van -toll- respectievelijk -tall-.

Alleen de tall-variant heeft verwanten in het Neder- en Hoogduits: Mnd. overtellich en overtalich overbodig, bovenmatig, Mhd. überzellich, Mohd. überzählig boventallig.

Je kunt Pechtold in één zin herkennen

Door Marc van Oostendorp

Hoeveel tekst heb je nodig om te zien of een tekst afkomstig is van Geert Wilders of van Alexander Pechtold? Niet heel veel, laat Maarten van Leeuwen zien in zijn proefschrift Stijl en politiek, dat hij vandaag in Leiden verdedigt. Eén zin is meestal wel genoeg.

Neem de volgende:
  • De laatste jaren wordt de politiek niet meer beschouwd als de plek waar maatschappelijke problemen worden aangepakt en opgelost. [1]
Die zin kan alleen maar van Pechtold zijn. Dat ligt niet aan de inhoud – ik denk dat Wilders het er nog weleens mee eens zou kunnen zijn. Het ligt alleen aan de vorm. Wilders zou hetzelfde mogelijk op de volgende manier formuleren:

Een schoone historie van Palmerijn van Olijve : Hoofdstuk 6



Een seer schoone ende ghenoechelicke
historie vanden aldervroomsten ende vermaertsten ridder

Palmerijn van Olijve,

sone van den coninck van Macedonien, ende van de schoone Griane,
dochter van Remicius, keyser van Constantinopelen,
de welcke vele wonderlicke avontueren in haren leven ghehadt hebben,
seer ghenoechelick ende playsant om lesen.


[zoals gedrukt te Arnhem door Jan Janszen, boeckvercooper in 1613]






woensdag 15 april 2015

“Wat zeg je?” als antwoord op een vraag

Door Lucas Seuren

In de eerste colleges die Harvey Sacks in de jaren 60 gaf aan de University of California besprak hij met zijn studenten enkele opnamen van een suicide hotline. Hij merkte daarbij onder andere op dat nadat de medewerker van de hotline heeft opgenomen en zich heeft voorgesteld, lang niet alle bellers ook hun naam noemen. Dat was opmerkelijk, want iemand die zich voorstelt aan een ander, nodigt de ander daarmee uit om zich ook voor te stellen. De bellers deden het dan ook subtiel. Ze merkten bijvoorbeeld op dat ze de medewerker niet konden verstaan. Die herhaalde dan zijn/haar naam, waarna de beller die naam ook herhaalde, ogenschijnlijk om duidelijk te maken dat hij het goed verstaan had. Door dit kleine extra dialoogje was de plek waar de beller zich kon voorstellen verdwenen. Sacks concludeerde hieruit dat door te vragen om verduidelijking, de beller impliciet duidelijk maakte dat hij zijn naam niet wilde geven.

Verschenen: De Negentiende Eeuw 39/1



Pas verschenen: De Negentiende Eeuw 39 (2015), nummer 1. Themanummer ‘Satire’.

Inhoud:
  • Ivo Nieuwenhuis, De vele gezichten van satire
  • Laurens Ham, Ach, mijn martelaartje! J.B.D. Wibmers postures en de ruimte voor politieke kritiek rond 1820
  • Eveline Koolhaas-Grosveld, Politieke spotprenten in de negentiende eeuw. Beeldessay
  • Frederiek ten Broeke, ‘Bijtende pennekras’. Satire als wapen in de politieke journalistiek, 1870-1885
  • Boekzaal

Hoe later in de versregel, hoe langer het woord

Door Marc van Oostendorp



Er is de laatste tijd weer enige belangstelling voor de versregel: wat is dat eigenlijk voor een ding? Wat bepaalt de structuur ervan? Een regel komt niet overeen met een woordgroep, of in ieder geval niet perse. Het wordt ook niet per se afgesloten met een adem in de voordracht. In sommige tradities bestaat een regel natuurlijk uit een vast aantal lettergrepen of beklemtoonde lettergrepen, en wordt deze altijd afgesloten met een rijmwoord. Maar wat bepaalt het succes van zulke tradities? Waarom is een gemiddelde versregel in de meeste Europese tradities tussen de 8 en de 12 lettergrepen lang?

Bovendien zijn versregels vaak asymmetrisch – en wel op een subtiele manier, waarvan dichters zich vaak waarschijnlijk nauwelijks bewust zijn. Ik heb er weleens eerder over geschreven op Neder-L (hier en hier): versregels hebben aan het eind vaak een regelmatiger ritme dan aan het begin. Waarom? Dat is niet helemaal duidelijk.

De Britse literair taalkundige Nigel Fabb wees me onlangs op een andere asymmetrie. In veel tradities worden de woorden gemiddeld langer naarmate de versregel verstrijkt. Dat betekent natuurlijk niet dat in iedere individuele regel de korte woorden meer naar het eind staan, maar wel dat er gemiddeld een tendentie is voor langere woorden aan het eind van de regel. Ook deze neiging is waarschijnlijk al zo oud als we kunnen terugkijken: we vinden hem al in de Veda's.

En bij Nederlandse dichters?

dinsdag 14 april 2015

Het eten van veel taartjes

Wat we nog niet weten over het werkwoord (10)
Door Marc van Oostendorp

Zoals water kan overslaan in ijs, zo kan een werkwoord ineens overslaan in een zelfstandig naamwoord. Stel, je vindt het fijn om taartjes te eten. Dan kun je dat natuurlijk op verschillende manieren zeggen:
  1. Ik word gelukkig als we veel taartjes eten.
  2. Ik vind het fijn om veel taartjes te eten.
  3. Ik houd van veel taartjes eten.
  4. Veel taartjes eten is fijn.
  5. Het eten van veel taartjes is fijn.
Gaande van zin (1) naar zin (5) wordt eten steeds zelfstandignaamwoordachtiger. In zin (1) is het in alle opzichten een werkwoord: een persoonsvorm met een onderwerp (we) en een lijdend voorwerp (veel taartjes) en een uitgang die meeverandert met het onderwerp (als ik veel taartjes eet). In zin (2) is eten nog steeds duidelijk een werkwoord, al is het nu een onbepaalde wijs. Ook in (3) zullen veel mensen er nog wel een werkwoord in zien, al is het apart dat het gebruikt wordt na een voorzetsel, en al kan er inmiddels al geen onderwerp meer worden gebruikt – je kunt niet zeggen ik houd van wij veel taartjes eten.

maandag 13 april 2015

Constantijn Huygens: Drie gedichten belicht



Op vrijdag 17 april 2015 organiseert de Koninklijke Bibliotheek een feestelijke middag rond drie gedichten van Constantijn Huygens. Aanleiding is het recente boek Op zoek naar Huygens van Jürgen Pieters.

De gedichten die centraal staan zijn: ‘Op de dood van Sterre’, ‘Ooghentroost’ en ‘Hofwijck’. Uit de gedichten worden fragmenten voorgedragen en becommentarieerd door Huygenskenners Olga van Marion (Universiteit Leiden), Ton van Strien (Vrije Universiteit Amsterdam) en Frans Blom (Universiteit van Amsterdam). Frans Willem Korsten (Erasmus Universiteit Rotterdam) zal ingaan op de wijze waarop Jürgen Pieters (Universiteit Gent) deze drie gedichten in zijn nieuwe boek analyseert.

Meer informatie, programma en aanmelden: http://www.kb.nl/kbhtml/huygens/index.html