Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

maandag 30 november 2015

IVN-mededelingen december 2015

Wim Klooster en Guido Leerdam maken voor de IVN een maandelijkse nieuwsbrief voor neerlandici, de IVN-mededelingen.  In het decembernummer aandacht voor onder andere de Haagse jaren van Willem de Clercq, een didactisch netwerk dat de moeite waard is om te volgen en de poëzie van Rutger Kopland. Het archief staat hier.

100e editie: De Parelduiker bestaat 20 jaar!

De honderdste editie van De Parelduiker steekt in een zilver jasje, maar verder is het nummer net zo interessant als de vorige 99. Bijvoorbeeld met een artikel over Drs. P. Dat de dit jaar overleden auteur en vertolker van liedjes als ‘Veerpont’, ‘De commensaal’ en ‘Dodenrit’ een uitzonderlijke persoonlijkheid was wisten we wel. Maar zijn voorouders doen stuk voor stuk niet voor hem onder; de een was nog excentrieker dan de ander. Zijn grootvader van moederszijde was medeoprichter van een vrijdenkersvereniging en actief als vurig revolutionair. Grootmoeder Nellie van Kol-Poreij was socialiste en een voorvechtster van vrouwenrechten maar ze bekeerde zich tot het spiritisme en de theosofie. Grootvader van vaderszijde was een uitgesproken antisemiet en ook de vader van Drs. P had nazisympathieën. Toch: allen rijmden net als Heinz Polzer graag en zagen hun woorden en gedachten gedrukt. Drs. P-kenner en -verzamelaar Jaap van den Born doet er verslag van zonder de strapatsen van de student, barpianist en reclameman Heinz Polzer te veronachtzamen. Met illustraties uit het familiearchief.

Talige belevenissen in de Nvt-les



Op een volksuniversiteit in Berlijn (Tempelhof-Schöneberg) geef ik Nederlands. We geven ca. 75 cursussen per trimester op alle niveaus (A1-C1) met drie docenten, allen afkomstig uit Nederland.

Als docente ben ik altijd razend benieuwd naar de beweegredenen van de cursisten om Nederlands te leren en daar informeer ik dan ook altijd naar aan het begin van elke cursus. Behalve de voor-de-hand-liggende en rationele redenen zoals studie- en werkwensen, boeien mij vooral de emotionele redenen en ik krijg dan ook regelmatig de interessantste verhalen te horen waardoor ik o.a. ook zo van dit werk houd.

Boeiend is sowieso al dat in deze cursussen mensen samen leren in de leeftijd van ca. 18 tot 75 jaar. Omdat de cursisten een intrinsieke motivatie hebben Nederlands te leren en daardoor meestal erg gemotiveerd zijn, is het lesgeven buitengewoon aangenaam.

Vooral de oudere taalleerders hebben vaak bijzondere verhalen over hun ervaringen met -meestal-Nederland en het Nederlands.

Waarom is het voor Russen zo fijn om Russisch te praten?

Door Marc van Oostendorp

Hoe verhouden taal en cultuur zich tot elkaar? Over die kwestie is nu eindelijk een heus  handboek verschenen, het Routledge Handbook of Language and Culture. Wat is bijvoorbeeld de relatie van de Nederlandse taal tot de Nederlandse cultuur? Wij schelden bijvoorbeeld in vergelijking met anderen veel met namen die naar ziektes verwijzen. Je kunt dan zeggen: in het Nederlands, maar niet in het Engels, is kanker een negatief voorvoegsel – een eigenschap van de taal.

Je kunt ook zeggen: Nederlanders hebben een eigenaardige obsessie voor ziektes, die veroorzaakt wordt door de calvinistische predestinatieleer (ik zeg maar wat). Maar wordt nu onze taal beïnvloed door onze cultuur? Of is die taal zelf eigenlijk neutraal met betrekking tot ziektes en zou je er op zich ook wel in kunnen schelden door bijvoorbeeld iemands voorouders te beledigen?


Helena van Constantinopel, hoofdstuk 20


Hoe coninck Anthonis ende Amaris te Tours quamen, daer coninck Henrick sijn twee sonen vont.
[20]
   
Na veel strijdens dat de drie koninghen hadden ghehadt, soo quamen sy te Tours, Helena al omme zoecken[de]. Ende als sy voor Tours waren, zonden sy boden aen den bisschop oft sy daer binnen logeren mochten, dat den bisschop geerne consenteerde, by alsoo dat sy de mannen van wapenen daer buyten laten zouden inde tenten. Hy soude hun daer victalie beschicken. Ende doen zat de bisschop op met sijnen heeren ende reet de coningen te ghemoet buyten de stadt, daer sy malkanderen groote reverentie deden. Ende sy hadden onderlinghe veel woorden, so dat kon[in]c Henric ten lesten vertelde sijn avontueren ende hoe hy sijn wijf ende kinderen sochte.
     Als sy dus reden sprekende, sach koninc Hendric de twee jonghelinghen voor den b[i]sschop rijden, ende hy vraeghde van waer die waren. Doen seyde de bisschop: “Uyt ongheloovighen lande,” ende seyde hoe hyse selfs kersten ghemaeckt hadde ende gedoopt. Ende doen zijn alle de heeren ghekomen in des bisschops hof, daer veel arme lieden stonden om d’aelmoessen te hebben van den heeren, onder den welcken Helena oock was, zeer bedroeft doen sy haren vader ende haren man zach, maer haer kinderen en kend[e] sy niet, ende zeyde in haer selven: “Eylac[e]n, ick mach wel bedruckt zijn als ic aen zie dese twee koninghen, die my zoecken om te doen dooden, welcke ic noyt en verdiende”, ende sy is wegh ghegaen, zorghende dat mense zoude kennen.

zondag 29 november 2015

Tiecelijn 28. Jaarboek 8 van het Reynaertgenootschap

De boekenbeurs is voorbij. Tijd voor verdieping en niche. ‘We did it again.’ De nieuwe Tiecelijn is gearriveerd. Vandaag werd in Sint-Niklaas het achtste jaarboek van het Reynaertgenootschap voorgesteld. Met een jaarboek dat precies 333 pagina’s telt, komt het totale aantal Tiecelijnpagina’s sinds 1988 op 7427. 

1988. Laten we even terugkeren:  op 17 november 1988 lezen we: ‘Vanaf half drie 's middags is Nederland verbonden met Internet, als tweede land ter wereld’. De wereld is veranderd. En Tiecelijn ook. Goed nieuws is dat het Reynaertgenootschap onlangs besliste in elk geval tot jaargang 33 Tiecelijn op papier te blijven publiceren.   

Tiecelijn 28 opent met een bijdrage van Joep Leerssen, hoogleraar Moderne Europese Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, over de Reynaert in de eeuw van het nationalisme. Jan de Putter gaat in op de geschiedenis van het Reynaertonderzoek met als focus Arnout, de auteur die naast Willem in de proloog van Van den vos Reynaerde wordt genoemd. Walter Verniers en frater Robin Moens (1992) – de jongste auteur – richten de aandacht op Tibeert. Verniers focust in een tweede bijdrage op Pancer en Grimbeert. Hans Rijns kijkt hoe een middeleeuwse tekst in latere tijden sterk gecensureerd werd.


Column 101: Voer voor filologen: Tekstkritiek via de achterdeur, of hoe een Amsterdamse druk uit 1640 een (hardnekkige) fout in een Parijse druk van ca. 1510 kan verbeteren.

Door Willem Kuiper

Nadat de arme 13-jarige Helena van Constantinopel aan een afgedwongen huwelijk met haar eigen vader ontkomen is door in het holst van de nacht met een schip te vluchten, gaat zij aan land nabij Sluis in (Zeeuws) Vlaanderen. Vlaanderen was toen nog woest en Saraceens en heette destijds Vautembron. Een lastig te begrijpen naam, ook voor middeleeuwers. Zelf houd ik het op een vervorming van Val tenebreux: Duister Dal. In dit heidense woeste land staat een nonnenklooster, en daar vindt Helena onderdak. Maar als de koning van Vautembron hoort dat er een bloedmooi jong meisje in dat klooster ingetreden is, eist hij haar op. En als hij zijn zin niet krijgt, zal hij het klooster met alle nonnen in de fik steken. Helena vlucht naar de kust en krijgt daar een lift van een koopvaardijvaarder. Maar eenmaal op de hoge zee worden zij overvallen door Saraceense piraten die het hele schip uitmoorden, behalve dan Helena. De kapitein heeft andere plannen met haar. En als zij daar geen zin in heeft, zal hij haar overboord gooien. Helena beseft dat verzet zinloos is en vraagt om uitstel om even te mogen bidden. Het wordt haar toegestaan, “Maar houd het alsjeblieft kort, Car sçachiés, vo biauté me fait moult desirer / De vo bouche baisier et de vous acoler ».” Dan volgt zo’n typisch chanson de geste-gebed, waarin de hele heilsgeschiedenis in het kort wordt naverteld, eindigend in een smeekbede voor het behoud van haar maagdelijkheid. Helena is nog niet uitgesproken of donder en bliksem, wind en regen overvallen het schip, en dat blijkt niet bestand tegen deze Goddelijke krachten van de natuur. Het vergaat met man en muis. Alleen Helena vindt een plank in het water die groot genoeg is om haar drijvend te houden, waarna zij op de derde dag aanspoelt in de monding van de Thames nabij het “Noef Castel” in de omgeving van Londen.

Bed, bad, brood

Door Marc van Oostendorp

Waarom zeggen we bed, bad, brood in die volgorde? Daarover gaat mijn zondagochtendminicollege van deze week.


Helena van Constantinopel, hoofdstuk 19


Hoe dese twee tot Amiens quaemen, daer sy kersten gedaen worden.
[19]
   
Hier na quamen sy in de stadt van Amiens, daer doen ter tijdt binnen was de bisschop van Tours, daer sy doen gingen int hof vanden bisschop ende baden datmen hunlieden kersten maecken wilde. Doe vraechde de bisschop van waer sy waren. Doen vertelden sy al hun avontueren, ende soo worden sy ghedoopt, ende Erm hiete Brixius ende Lyon Martijn. Ende de bisschop van Tours behieltse by hem ende maeckte Martijn sijn bottelgier ende Brixius sijn klerck. Ende Martijn gaf veel den armen om Gods wil.
   
Als Helena ontrent sestien jaer te Nant[e]s in Bretanien gewoont hadde in grooter armoeden, levende by der aelmoessen, soo reysde sy tot Tours, daer sy alle daghen van haren soon Lyon om Gode hadde, maer sy en kenden malkanderen niet. Ende t’elcken [reyse] als hy haer sach, veranderde hem sijn bloet ende sijnen broeder, dat hun groot wonder gaf.
   
*     *
*



Hoofdstuk 19 in een synoptische, tweetalige (Nederlands-Frans) editie, met daarin verwerkt de versie in De vrouwen-peerle en de druk van de weduwe van Jehan Treperel, Paris ca. 1510.

Een woord dat u niet kent, kunt u opzoeken in het on-line Woordenboek der Nederlandsche Taal

zaterdag 28 november 2015

Parasitaire gaten als godsbewijs

Het stuk ‘Behoorlijk vernietigend’ van Riny Huijbregts opent met: “Een korte reactie op drie elementen uit de bijdrage van Freek van de Veldes “Hoe vernietigend zijn parasitaire gaten voor de gebruiksgebaseerde taalkunde?”.” Dan volgt een helemaal niet zo korte aanval op een aantal stellingen die ik vanuit een gebruiksgebaseerde achtergrond heb ingebracht in de discussie. Die snijden volgens Riny geen van alle hout.

Ik apprecieer het enorm dat Huijbregts de moeite neemt om te reageren. Nicolaas Beets heeft eens geschreven: “Het botsen der gevoelens: zegt men vaak, Kan voeren tot het ware van de zaak”.Een parafrase eigenlijk van het Franse bon mot Du choc des opinions jaillit la vérité. Maar dat ik de geste apprecieer betekent uiteraard niet dat ik nu gelijk overtuigd ben van alles wat Huijbregts in die reactie neerpent.

Ik ga niet op alle kwesties apart in, want we zitten hier, ondanks de soms zelotische toon van de discussie, niet op een taalkundig-religieuze synode waar we elke leerstelling apart moeten behandelen. Ik wil trouwens ook niet te technisch worden op Neder-L. Wat ik wel wil doen, is een aantal misverstanden over concepten en methoden in de gebruiksgebaseerde taalkunde aankaarten, waaruit de verontwaardigde reactie van Huijbregts (cum sociis) voortkomt, denk ik. Beets’ gedicht gaat verder: “waar vooroordeel met vooroordeel strijdt, Wat is het - dan verlies van tijd!”. Het lijkt me nuttig dat we een goed zicht krijgen op elkaars uitgangspunten, om niet te blijven hangen in ‘vooroordelen’.

Uw gouden grif

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (48)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Hoe het Nederlands langer dan zo'n honderd jaar geleden geklonken heeft, kunnen we alleen maar construeren. Bij gebrek aan geluidsopnamen moeten we het doen met de schaarse keren dat iemand de moeite heeft genomen precies te noteren hoe het voelde om, pakweg, een /r/ uit te spreken – en met gedichten.

In alle tijden hebben dichters aandacht besteed aan de klank van hun gedichten. Door daar precieze aandacht aan te besteden, kunnen we wel het een en ander leren over hoe een en ander geklonken moet hebben. Uit het feit dat Hooft en zijn tijdgenoten beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen begonnen af te wisselen, weten we dat zij de klemtoon op ongeveer dezelfde plaats in ieder woord hebben moeten gelegd als wij nog steeds doen: lees een gedicht met moderne klemtonen en het klinkt nog steeds goed. (Deze opmerking kan bovendien een onderzoeker in de 25e eeuw verder helpen, wanneer hij haar vindt in de digitale archieven van de KB: ja, onderzoeker, aan het begin van de 21e eeuw hadden wij dezelfde klemtoon als P.C. Hooft. Tof trouwens, dat je je richt op deze dode taal.)

Maar ook het rijm kan informatief zijn, bijvoorbeeld in dit bekende sonnet van Hooft:

Helena van Constantinopel, hoofdstuk 18


Hoe de kinderen van Helena scheyden vanden heremijt ende quamen te Beyeren.
[18]
   
Op een tijt als dese twee kinderkens sestien jaer lanck by den heremijt ghewoont hadden, soo ginck hy wandelen met hun int bosch ende seyde: “Kinderkens, daer is de plaetse daer ick u eerstwerf vant ende u de beesten ontnam ende verloste vander doot.”
     Doen seyden de kinderen: “Zydy ons vader niet?”
     “Neen ick, in trouwen!”, seyde de heremijt. “’t Is geleden sestien jaer dat ick u hier den beesten ontjaechde ende hebbe u van dier tijt opghevoet als mijn kinderen.”
     Doe seyden de kinderen: “Want ghy ons vader niet en zijt, soo willen wy gaen van lant tot lande tot dat wy onsen vader gevonden hebben.”
     Ende zijn doe vanden heremijt gescheyden, des de heremijt seer droevigh was. Ende als sy een wijle door ’t bosch hadden gegaen, quamen sy aenden oever vander zee, daer sy aen een schip quamen, daer sy so lange baden datse int schip quamen, daer hun de patroon vraechde wie sy waeren ende van waer sy quamen. Sy antwoorden: “Wy en weten niet van waer wy sijn noch wie ons vader oft moeder is, maer wy hebben sestien jaer lanck int bosch gewoont by een heremijt, Felix geheeten.”
     Ende de patroon kleede dese twee jongers properlijcken ende gaf hun teergelt in hunnen buydel. Ende doe namen sy oorlof aen den patroon, hem seer bedanckende der grooter deucht die hy hunlieden bewesen hadde, ende zijn doen gekomen in Almanien te Baviers, daer een coninginne woonde, daer sy voor quaemen, diese terstont begracide ende dede hunlieden t’eten brenghen. Ende Lyon at soe veel dattet hun alle verwonderde: alle vleesch, geheel capoenen, maer Erm en at niet dan broot ende wortelen die hy met hem hadde gebracht. Waerom de coninginne Erm vraechde, waer by hy leefde. Hy seyde: “Ick en heb in sestien jaer niet gegeten dan broot ende wortelen by eenen heremijt, die ons op gevoet heeft.”
     Ende hy vertelde daer al hun avontueren, dat de coninginne seer verwonderde ende hielts[e] by haer.

vrijdag 27 november 2015

Nieuwe MA Neerlandistiek in Utrecht over de internationale positie van de Nederlandse taal en cultuur


In september 2016 opent aan de Universiteit Utrecht een nieuwe MA Neerlandistiek over de internationale positie van de Nederlandse taal en cultuur. Die positie bestuderen we vanuit taalkundig, letterkundig en taalbeheersingsperspectief. Uitgangspunt is de gedachte dat de Nederlandse taal en cultuur zich door globalisering, digitalisering en commercialisering steeds meer in de context van andere talen en culturen ontwikkelt: in Nederland zelf, maar ook buiten het Nederlands taalgebied. Dat levert tal van vragen op die in deze MA centraal staan. Welke aspecten van de Nederlandse cultuur zijn in beeld bij buitenlandse media? Wat is binnen Nederland het beleid op het gebied van taal, bijvoorbeeld waar het gaat om taalvariatie en meertaligheid? Hoe wordt overal ter wereld Nederlands geleerd, en door wie? Hoe communiceren Nederlandse bedrijven als Philips, KLM en Shell met hun internationale klanten, en wat is daar Nederlands of juist internationaal aan? Welke Nederlandse literatuur kan iedereen ter wereld digitaal lezen, wie bepaalt dat en welke rol speelt commercie hierin?

Kluchten van Jan Zoet en Jan Vos bij Ceneton

Door Ton Harmsen 

Een appel en een ei lopen door de Kalverstraat. Hoe is het nu, vraagt het ei gemeen, om geplukt te worden? Nou, zegt de appel, wacht jij maar tot je een kip bent. Net zo als de mop speelt de klucht een spelletje met aristotelische waarschijnlijkheid en logica. Het is een fictioneel genre, een gestileerde weergave van de realiteit, dus we moeten ons erbij neerleggen dat de werkelijkheid niet getrouw wordt weergegeven. Maar we moeten de klucht wel serieus nemen, en hoge eisen stellen aan opbouw en stijl. In de zeventiende eeuw verschenen er meer dan 200 kluchten in de Nederlanden, de achttiende eeuw produceerde er nog eens ruim 300. Twee kluchtspelen zijn onlangs bij Ceneton uitgegeven: de klucht van Jochem Jool (1637) door Jan Zoet en de eerste druk van de klucht van Oene door Jan Vos (1642). W.J.C. Buitendijk heeft verschillende latere edities uitgegeven – ook te vinden bij de DBNL.

Een zuurstok

Door Wim Voskuilen

De dichtbundel Als een beek (1975) van Kees Ouwens heeft een zeer bijzondere structuur. Onlangs werden op Neder-L de eerste drie gedichten uit de bundel besproken. Voor mij was dat aanleiding de feiten over de bundel nog eens op een rij te zetten. De structuur ontdek je door een specifieke actie uit te voeren.

In de titels van de eerste vijf dichtbundels van Ouwens wordt er geteld van 1 tot 5. Bij Arcadia, Intieme handelingen en Als een beek tel je woorden en in Klem en Droom letters. Bij de zesde bundel, Afdankingen, wordt dit telprincipe gestaakt. Ook bij Ouwens' romans speelt tellen een rol, want de titels hebben resp. 2, 4, 4 en 2 woorden. De derde roman heet Een twee drie vier... en verscheen na Droom. 

Op de omslag van Als een beek staan de auteursnaam en de titel in witte letters tegen een blauwe achtergrond. Zowel 'Kees Ouwens' als 'Als een beek' heeft 3 lettergrepen en 10 letters. Bij de titel is dus behalve het aantal woorden ook het aantal lettergrepen en letters van belang. Alle reden om ook in de dichtbundel naar formele, telbare kwesties te kijken. In de bundel vallen een paar dingen op.


Behoorlijk vernietigend: drie kwesties


Een korte reactie op drie elementen uit de bijdrage van Freek van de Veldes “Hoe vernietigend zijn parasitaire gaten voor de gebruiksgebaseerde taalkunde?

Kwestie een. Ingesnoerde ambiguïteit. Hoe krijg je uit gebruiksgebaseerd taalonderzoek ooit relevante informatie over ambiguïteiten en speciaal over ingesnoerde ambiguïteit (“constrained ambiguity”)? Zinnen in corpora verschijnen niet met hun betekenis op de mouw gespeld. Neem bijvoorbeeld de zin Jan heeft er daar vaak over gesproken (een variant van een van Freeks voorbeelden). “Daar” kan alleen maar als een locatief bijwoord worden geïnterpreteerd. De vraag Waar heeft Jan er vaak over gesproken kan worden beantwoord met In z’n TIN-praatjes. Niet met Over evolutie van taal. Waarom is dat? Niet echt triviaal want Waar heeft Jan in z’n TIN-praatjes vaak over gesproken? is volkomen acceptabel naast Waar heeft Jan vaak over evolutie van taal gesproken? Tsja, Freek, wat doe je hieraan? Of valt deze vraag buiten je onderzoeksgebied, en is het probleem er eigenlijk niet? Lijkt mij het type vraag waar iedereen die zich professioneel met taal bezig houdt serieus over zou moeten nadenken. 

Talen maken in een ideale wereld

Door Marc van Oostendorp


In mijn ideale wereld zou er natuurlijk veel meer aandacht zijn voor taal. De radio en de tv zouden iedere dag enkele programma's hebben over taal: een uur op prime time voor de nieuwste taalwetenschappelijke ontdekkingen – want daarvan waren er in de ideale wereld iedere dag een paar –, een half uur voor de nieuwste gedichten en korte verhalen, een kwartier voor de nieuwe woorden van de dag, 7,5 minuut voor de Michiel de Vaan van de ideale wereld voor de etymologie van een woord. Je kon ook met vrijwel iedereen vreemdeling in een bushoekje een conversatie over die onderwerpen beginnen.

Op iedere straathoek was een taalcafé gevestigd, waar je binnen kon gaan en een vreemde taal oefenen. Tijdens verkiezingen zouden politici, een beetje populistisch, prat gaan op hun uitgebreide talenkennis. De cursussen, de populaire boeken, de middelbare en hogere opleidingen op allerlei taalkundig gebied waren niet aan te slepen.


Helena van Constantinopel, hoofdstuk 17


Hoe de coninck raet hielt, daer hem de hertoghe verontschuldighde.
[17]
   
Doen dese coningen binnen Londen waren, soo is daer raet gehouden metten heeren, daer de hertoghe van Clocestre voortbracht de neghen boden, elck met sijn brieve inde hant die hy gebracht hadde, want hy hadse al t’samen gevangen geset, ’t welck wijsheyt was. Doe dede de hertoge den coninc alle de brieven lesen elc bysonder, toonende hem sijnen zegel. ’t Welc den coninc seer verwonderde, ende dede elcken bysonder sweeren, d’een voor d’ander na, waer af datse de brieven gebracht hadden ende wiese hunlieden gegeven hadde. De bode van Romen swoer dat hem de paus sijnen brief ghegeven had. Doen seyde coninck Henrick met fellen moede dat hem de paus verraden had, sweerende dat hy dat op hem wreken soude. Ende doen dedemen d’ander acht boden sweeren, waer af de zeven valschelijc swoeren, maer de achtste seyde: “Heer koninck, ick en weet niet watmen my doen sal, hanghen oft branden, maer om mijn ziel te salveren sal ick de waerheyt segghen.”
     Dit hoorende d’oude koninginne, dat de bode de waerheydt segghen wilde, is gheloopen tot haren sone den koninck, seggende: “Sone, my verwondert seer hoe dat ghy dus langhe draelt om recht te doen over den hertoghe, die Helena heeft doen verbernen ...”
     Dit verhoorende, de hertoge ginc voor den koninc ende seyde: “Heer koninc, doe ghy uyten lande reysdet, doen stelde ghy alle u landen onder mijn macht, die ick noch in handen hebbe, want ghyse noch niet over genomen en hebt. Dus sla ic mijn handt aen dese vrouwe als een die dat wel doen mach, want ick noch regent vanden lande ben, ende zalse ghevanghen houden tot dat ick weet wie dese verraderye ghestelt heeft!”

donderdag 26 november 2015

Etymologie: Holland

Door Michiel de Vaan

Holland zn. streeknaam

Oudnederlands Holtlant (918-948, kopie eind 11e eeuw), Holdland (ca. 1120, Annales Egmundenses; de mededelingen gaan echter over de jaren 1060 en de naamsvorm met -d- past daarbij: Florentius comes Holdlandensis ‘Floris graaf van Holdland’ 1061, comitatum Holdlandie ‘het graafschap Holdland’ 1063, Rotbertum de Holdland ‘Robert van Holland’ 1071), Hollant (1101), Hollandie (ca. 1120), Middel- en Nieuwnederlands Hollant, Holland. De delen zut hollant ‘Zuid-Holland’ en northollant ‘Noord-Holland’ komen vanaf 1282 resp. 1292 voor. In een oorkonde van de bisschop van Bremen uit 1113 komen de Hollandi voor het eerst buiten hun eigen woonomgeving voor, als kolonisten die grond in het bisdom mogen gaan ontginnen. Het gebied waar ze zich vestigen heet later Hollerland.

Gespogen

Door Marc van Oostendorp

Groot was de opschudding toen wij hier in ons uitgewoonde redactiekantoor onlangs vernamen dat de criticus Arjan Peters in de Volkskrant Frans Kellendonk "te veel gentleman [vond] om zich de straatvechtersmentaliteit van gespogen polemist eigen te maken".

Wat betekent dat? Het blijkt inderdaad heel moeilijk te zijn om daar antwoord op te vinden, maar op het onvolprezen Meldpunt Taal meldde iemand  wijst erop dat je door naar "een gespogen" te zoeken wel wat treffers vindt, waaronder een verhaal van Herman Brusselmans:

Ze is een gespogen type voor dit soort circus, dacht Guggenheimer.

Helena van Constantinopel, hoofdstuk 16


Hoe coninck Hendrick weder te lande quam, daer hem sijn moeder willekome hiete.
[16]
   
Nu is coninck Hendric van Engelandt gekomen tot Bolonien ende sont een bode totten hertoge van Clocestre, hem seggende dat de coninck quame, ende dat hy hem seer geboot tot Helena, die hy boven alle dinck ter werelt lief hadde. “Waerom,” seyde de hertoge, “indien hyse so seer bemint, heeft hyse my doen verbernen met haer twee kinderkens?”
     Doen seyde de bode: “O valsche verrader, hebdy de schoonste, edelste ende goedertieren vrouwe verbrant? Soo vliet wech eer de coninck komt, want hy al ’t goet der werelt so seer niet en bemint als hy haer doet!”
     Dit hoorende, de hertoge verstont wel dat Helena verraden was, ende wert seer weenende.

woensdag 25 november 2015

Autour de la nouvelle poésie néerlandaise, soirée littéraire à Paris, 26 novembre 2015

Le 26 novembre, la Maison de la poésie de Paris organise une soirée littéraire consacrée à la poésie contemporaine néerlandaise. Elle commencera à 19.00 h.

"Autour de la nouvelle poésie néerlandaise" sera composé de discussions, interviews et lectures et sera animé par Margot Dijkgraaf. Prendront part: trois poètes néerlandais (Anne Vegter, Mustafa Stitou et Marjolijn van Heemstra), un poète francophone connaissant bien les Pays-Bas (Emmanuel Moses) et une traductrice (Kim Andringa).


Gerrit Achterbergsymposium, 28 november 2015, Amersfoort

Net als vorig jaar organiseert het Gerrit Achterberggenootschap in Amersfoort een symposium over het werk van Gerrit Achterberg.

Locatie: Mannenzaal (tegenover Flehite), Westsingel 47, 3811 BB Amersfoort.
Zaal open: 10.30;
ontvangst, aanvang ochtendprogramma: 11.00-12.30,
aanvang middagprogramma: 14.00 uur.

Programma

Pieta van Beek, Een kind dat alles maken kan: Achterberg.
Tine Ruysschaert, voordracht Ballade van een gasfitter.
Eigen voordracht van deelnemers symposium.
Bert Veldstra, laatste stand van zaken over vertaling Achterberg.
                        Lunch
Hans Mudde, over de wandeling Gerrit Achterberg; in memoriam Henk van Bellen
Gerhard te Winkel, Je tikt ertegen en het zingt.
                        Borrel
Wiebe Meilof, antiquaar te Pekela,  zal de hele dag aanwezig zijn met Achterbergiana.


Is een zin met leestekens een woord?

Door Lucas Seuren
We zijn er nog niet uit of we een emoji als woord moeten zien of de redactie van de Van Dale schotelt ons alweer een nieuw probleem voor: kunnen we een zin als woord zien? De lijst met genomineerden voor de titel Woord van het Jaar is namelijk bekend en naast negen prachtige samenstellingen – waarvan ik maar vier woorden eerder heb gehoord – vinden we ook de constructie "je suis ...". 

Context
Net zoals met de keuze van Oxford voor een emoji en die van Onze Taal voor sjoemelsoftware (ook genomineerd door Van Dale) speelt de context natuurlijk een belangrijke rol bij deze nominatie. Parijs heeft dit jaar twee aanslagen te verduren gekregen en het mag dus geen verrassing zijn dat er een woord is genomineerd dat verband houdt met die aanslagen. Een woord dat alleen over terrorisme ging  zou ook voldoende zijn: het moet zowel rond Charlie Hebdo als rond de recente aanslagen een rol hebben gespeeld.

Hoe vernietigend zijn parasitaire gaten voor de gebruiksgebaseerde taalkunde?


Maandag stond in Neder-L een bijdrage van Riny Huijbregts. Getiteld: ‘Recursie en evolutie van taal’. Zo’n stuk ga je meteen lezen, want je voelt dat hier grote thema’s aangesneden gaan worden. De eigenlijke bijdrage van Huijbregts is een reactie op een reactie van Mark Dingemanse op een blogpost van Marc van Oostendorp over een stuk in het tijdschift Trends in Cognitive Science (TICS) van een groep taalkundigen uit Utrecht en het MIT (ingewikkelde stapeling van voorzetselgroepen, maar daar heeft de gemiddelde generatieve taalkundige geen moeite mee, geloof ik). Dat stuk in TICS zelf is een verdediging van het generatieve program, dat uitblinkt door leesbaarheid. Dat is een zeldzame combinatie. Hedendaagse generatieve taalkunde heeft namelijk niet de naam erg leesbaar te zijn. Maar dat stuk in TICS dus wel, en het loont de moeite om dat te lezen. Dat vindt Dingemanse trouwens ook.

Wat me opvalt in de reactie van Huijbregts is de hartstochtelijke, of wat onvriendelijker uitgedrukt: agressieve, stijl. De gebruiksgebaseerde taalkunde wordt een beetje minachtend terzijde geschoven als ‘naïef’, met opvattingen die als ‘relict’ beschouwd moeten worden. Met name als het gaat om het geringe taalaanbod waarop de taal-leerder zich moet baseren om zeldzame constructies onder de knie te krijgen. Dat is het klassieke ‘Poverty of Stimulus’ argument.

'Hij wilt': het magt!

Door Marc van Oostendorp


Ik weet dat er mensen zijn die de afgelopen weken, sinds het verschijnen van het nieuwe Groene Boekje, iedere dag wel even naar de spellingwebsite van de Taalunie gingen om te zien of het er nog stond.

En ja hoor, het staat er nog steeds:

willen

willen
ikwil
jijwilt
hij/zij/het/uwilt
wijwillen
julliewillen
zijwillen
Zo mag je ook jij kun schrijven volgens dit machtige overheidsorgaan, en jij zul. En gedownload naast geforwarded

Kijk, dat is nu eens een mate van anarchisme die wij hier op Neder-L kunnen waarderen.

Helena van Constantinopel, hoofdstuk 15


Hoe coninck Henrick oorlof badt aenden p[a]us.
[15]
   
Als coninck Henrick te Romen was, so dede hy so veel dat hy Romen van den ongeloovigen verloste, ende hy versloegh hunnen coninck Butor, daer hy het Engelsch[e] wapen wan, te weten drie lupaerden die Butor te voeren plach. Ende is dae[r] na aen den paus gegaen ende nam oorlof. Ende de paus seyde hem dat hy w[el] meynde dat hy sijn nichte getrout hadde, ende begeerde van den coninck d[at] hy ’t hem overschrijven wilde. Ende coninck Henrick is doen nae Engela[nt] gereyst.
   
In deser tijdt was oock op de reyse coninck Anthonis van Constantinopolen met grooter heyrkracht om te soecken sijn dochter Helena, ende is soo lange te schepe gereyst tot dat hy te Sluys in Vlaenderen aenquam. Daer ginck coninck Anthonis soo verre te lande tot in een klooster van nonnen, aldaer hy na Helena vraeghde. De abdisse seyde hoe dat sy daer een luttel tijts geweest hadde, ende waerom datse vertrocken was, so datse van haer niet en wiste. Dies de coninck seer bedruckt was, ende swoer dat hy nimmermeer rusten en soude hy en hadde Helena ghevonden, ende ginck van daer weder te schepe.
   
*     *
*


Hoofdstuk 15 in een synoptische, tweetalige (Nederlands-Frans) editie, met daarin verwerkt de versie in De vrouwen-peerle en de druk van de weduwe van Jehan Treperel, Paris ca. 1510.

Een woord dat u niet kent, kunt u opzoeken in het on-line Woordenboek der Nederlandsche Taal

dinsdag 24 november 2015

Overleden: Wim Emmerik (1940-2015)

Deze week overleed de bekende Nederlandse gebarentaaldichter en -onderzoeker Wim Emmerik. Op de website van de Radboud Universiteit staat een in memoriam. Hieronder een van Emmeriks gedichten (op de YouTube-pagina staat een Nederlandse vertaling).

Tweedeling tussen zwarte piet en Zwarte Piet


Vorige week werd uiteraard in diverse media uitvoerig stilgestaan bij de aankomst in Nederland van de heilige Sint-Nicolaas en zijn gevolg. In deze berichtgeving maar ook in de bij tijd en wijle oververhitte discussies over de gelaatskleur van de pieten (of Pieten?) viel mij ook een taalkundig interessant fenomeen op: de rol van de hoofdletter. Vooral de schijnbare willekeur prikkelde mijn nieuwsgierigheid. We zien namelijk zwarte pieten en Zwarte Pieten. En door de komst van nieuwe exotische pieten krijgen we nieuwe verwarring: schrijven we Regenboogpiet of regenboogpiet? Hoe zit het toch met die vermaledijde hoofdletter?

In de Technische Handleiding uit 2009, waarin de regels voor de officiële spelling van het Nederlands zijn weergegeven, treffen we een op het eerste gezicht heldere hoofdregel aan: soortnamen worden met een kleine letter geschreven en eigennamen met hoofdletter. Voorheen werd de ‘knecht van Sinterklaas’ aangeduid als Zwarte Piet, mét hoofdletter dus. We kunnen dan overduidelijk spreken van een eigennaam.

Is een lachende drol een woord?

Door Marc van Oostendorp
Aan terminologische discussies heb ik meestal een broertje dood. Is een walvis een vis? Is Mark Rutte een liberaal? Mag je om vijf over twaalf nog 'goedenavond' zeggen? Wat maakt mij het uit; zolang we mekaar maar begrijpen, zeg ik dan.

Maar in de wetenschap is het handig om goede, helder afgebakende definities te hebben. Vandaar dat ik met verbazing de blogpost gelezen heb die Mark Dingemanse hier gisteren plaatste en waarin hij ervoor pleit om het begrip 'taal' zodanig op te rekken dat ook bijvoorbeeld 'emoji's' erin passen. Ja, hij gaat in reactie op een stukje van Lucas Seuren zelfs zo ver dat hij ze woorden wil noemen.

Onder traditionele definities – Dingemanse doet net of hij die niet kent maar dat geloof ik niet – is pakweg de lachende drol waarmee sommigen hun Whatsapp-berichten opsieren, geen woord. Woorden zijn namelijk tekens met een bijzondere vorm én een bijzondere, afgebakende betekenis.


Helena van Constantinopel, hoofdstuk 14


Hoe Helena te Nantes in Brittangien quam t’schepe met lieden diese om Godts wille t’schepe namen.
[14]
   
Als Helena ontwaeckte, waren haer kinderen wech, des sy doen seer weende ende klaechde: “Ach armen, waer sijn mijn kinderen!? Eylacen, waerom en hebben my de beesten oock niet verbeten, die mijn kinderen verslonden hebben? Want ick weet wel datse my geen mensche genomen en heeft.”
     Dus heeft sy alomme half verdult staen sien, daerse niet en sagh aen d’een sijde dan de wildernisse ende aen d’ander sijde niet dan water en wolcken. Ende sach ten lesten veel schepen met kooplieden, daer sy met luyder stemme toe riep, hun biddende om Godts wille dat sy haer met hun voeren wilde. Ende de kooplieden kregen medelijden met haer ende sijn neven ’t lande gevaren ende hebben haer in genomen, ende sy vraechde haer waerom sy so droevigh was. Doen verteldese hun lieden haer avontuer: hoe dat sy haer twee kinderkens verlooren hadde, dies sy alle medelijden hadden.

maandag 23 november 2015

Verkiezing Weg met dat woord! 2015


Illustratie: Frank Landsbergen
Welk woord moeten we volgens Nederlanders en Vlamingen achterlaten in 2015 en waarom? Het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) organiseert dit jaar voor de derde keer de verkiezing 'Weg met dat woord!'

Vorige verkiezingen 
Eind 2014 stemden Vlamingen en Nederlanders het woord ‘oudjes’ weg: denigrerend en negatief volgens de deelnemers. Een pleidooi van hoogleraar Ouderengeneeskunde Andrea Maier in De Wereld Draait Door zorgde ervoor dat dit woord als verliezer uit de bus kwam. Het jaar ervoor werd ‘kids’ weggestemd met als belangrijkste motivering dat het overbodig is en nutteloos hip.

Stemmen

Van 23 tot en met 30 november 2015 kunnen Nederlanders en Vlamingen een week lang woorden nomineren op wegmetdatwoord.nl / wegmetdatwoord.be. Op basis van de inzendingen wordt een shortlist samengesteld waar u vanaf 1 december woorden van kunt ‘wegstemmen’. Op dinsdag 8 december maakt het INL de verliezer bekend.

Verschenen: Mijn beste lezer – C.O. Jellema



Bij Uitgeverij Flanor verschijnt binnenkort: Mijn beste lezer. Brieven aan mijn broer van C.O. Jellema. In de nalatenschap van A.O. Jellema werden eenendertig brieven van zijn broer, de Groningse dichter C.O. Jellema (1936-2003) teruggevonden. Deze uitgave bevat een selectie van negentien brieven.

Inhoud
De brieven getuigen, volgens de uitgever, van een innige band; beide broers deelden veel. In zijn essay ‘Oefeningen bij een beek’, waarboven de opdracht ‘Voor A.O.J.’, haalt Jellema dierbare herinneringen op aan hun jeugdjaren in Beilen, de grote pastorietuin, de beuk waarin ze als kleine jongens hun initialen sneden, aan de Beilerstroom waar ze visjes vingen en aan de treinrails waarop ze centen legden. Veel van zichzelf herkende hij in zijn broer: de liefde voor het Groninger landschap, de ambivalente gevoelens ten aanzien van hun dominante moeder, hun zwaarmoedigheid, de zelftwijfel, de twijfel aan de waarde van hun werk en de onmacht het leven waarachtig te beleven. Beiden hadden een beschouwende, reflecterende geest. Jellema hechtte bovendien veel waarde aan het kritische oordeel van zijn broer. Niet voor niets schreef hij hem: ‘Je bent mijn beste lezer, denk ik, in tweeërlei opzicht, de aandacht waarmee je ze leest en zoals je ze begrijpt.’

Emoji’s: waarom we taal en schrift niet moeten verwarren


Het team achter het Oxford Dictionary verkoos dit jaar een wel heel bijzonder woord van het jaar: een emoji. Lucas Seuren wijdde er hier op Neder-L een column aan, waarin hij zijn ongemak beschreef met de classificatie van emoji’s als woorden: "Ik zou liever de enge betekenis van woord hanteren. Een emoji is gewoon een andere vorm van communicatie; het is in zekere zin taalloos."

De impliciete opvatting van taal hier lijkt er één te zijn die sterk aan het schrift gebonden is. Volgens die opvatting, breed gedeeld, telt iets als taal als we het netjes op kunnen schrijven in ons conventionele alfabet en als het niet al te iconisch of visueel is. Handig voor schrijvers, vertalers en docenten, dat geef ik gelijk toe. Maar moeten we als taalwetenschappers ons vakgebied laten begrenzen door de conventies van een cultureel bepaald schriftsysteem?

Valentiemorfeem in het Afrikaans

Benito Trollip van de Noord-Wes Universiteit Potchefstroom onderzoekt de tussenklank in het Afrikaans (het zogenoemde valentiemorfeem). Een voorbeeld is de -s- in koningsfamilie.

Voor het empirische onderdeel van zijn studie zoekt hij Nederlandstaligen die vreemdetaalsprekers van het Afrikaans zijn en ook Nederlandstaligen die geïnteresseerd zijn in het Afrikaans (maar het niet spreken of niet helemaal begrijpen). Zij kunnen tot 20 december deelnemen aan een online enquête.

Recursie en evolutie van taal



Vorige week besteedde Marc van Oostendorp in een blogpost aandacht aan een recent artikel in Trends in Cognitive Sciences van onder andere de Utrechtse taalkundigen Martin Everaert en Riny Huijbregts. Onder die blogpost ontstond nogal wat discussie. In het onderstaande bericht reageert Huijbregts op het commentaar van Mark Dingemanse (Max Planck Instituut) en Gosse Bouma (Groningen). 

De kritiek van Mark Dingemanse (hier voortaan MD genoemd) richt zich uitsluitend op evolutie van taal. Evolutie is in ons artikel geen hoofdmoot. Het komt slechts tweemaal voor in de hoofdtekst (sommige “outstanding questions” stellen vragen die soms deels betrekking hebben op evolutie, maar dat zijn vragen voor de toekomst).

De eerste keer (p4) wordt gezegd dat verschillende modules van taal (i.c. cognitieve en sensomotorische systemen) hun eigen evolutionaire geschiedenis hebben en dat mede daarom de koppeling van cognitie en perceptie/articulatie in natuurlijke taal een niet-triviaal en interessant probleem is. Deze stelling is behoorlijk algemeen en niet bepaald schokkend. Zouden er werkelijk biologen of anderen met enig inzicht in taal zijn die hier anders over zouden kunnen denken….?     

Het heeft geen zin als de country branding niet goed is

Een nieuwe slogan in ons gruwelijke managersfeuilleton De verleden tijd van lijken.

Door Marc van Oostendorp

"Joop!" riep Wouter, de voormalige hoogleraar Financiële Letterkunde, die inmiddels tot HR Director geworden was, maar het hart nog altijd op de juiste plaats was en daarom naar zijn voormalige vakgroeplid was gelopen.

Die haalde zijn ogen van een scherm waarop bij wijze van data enorme hoeveelheden middelnederlandse voegwoorden in allerlei kleuren waren afgebeeld. Johan was weliswaar al ruim veertig jaar bezig met zijn studie naar dit onderwerp, maar hij had zich laten overtuigen dat het misschien de moeite waard was als hij een computer die voegwoorden op basis van grote gegevensbestanden zou laten visualiseren.

"Joop!" riep Wouter nogmaals, toen hij merkte dat het hoofd van zijn voormalige collega moeilijk van al die groene en roze voegwoorden af te leiden was. "Heb je dit gezien!" Hij gaf hem zijn tablet. "Ranking de slogans" stond erop.

Helena van Constantinopel, hoofdstuk 13


Hoe Maria van Clocestre, des hertogen susters dochter, sijn nichte, voor Helena verbrant wert.
[13]
   
Doen de heeren dit totten hertoghe gheseyt hadden, ginck hy tot Helena metten lesten brief, dien hy haer al heel uyt las met weenende ooghen ende seyde: “Ick wilde dat ick niet gebooren en ware, so en soude ick dit felle werck niet volbrenghen dat my de co[n]inck bevolen heeft.”
     Doen seyde Helena: “Ist so mijns mans wille, ick wil gheerne sterven, maer my deert mijn twee kinderkens, dat sy sterven moeten, die noyt yemant en misdeden! Och, mocht ick mijn heere spreken voor mijne doot, ick soude te liever sterven, maer lacen, neen ick ...”
     “Vrouwe,” seyde de hertoghe, “ick moet mijn heere een lidtteecken van u thoonen als hy komt, dat hy niet en segghe dat ick eene andere ghedoot hebbe.”
     Doen seyde Helena: “Neemt hier mijn hant mette ringhen die hy my gaf uyt grooter liefden, doe hy my troude, dat hy n[a] ghedencke der grooter felheyt die hy my nu bewesen heeft.”
     Doe riep hy een van sijn knechten, dien hy Helenen hant of dede slaen.
     Maer de gemeynte van Londen dit vernemende, wilden den hertoghe doot slaen, want sy Helena beminden door haer deught. Als de hertoghe dit sagh, leyde hyse weder op ende dachte dat hyse des anderen daeghs bernen soude voor den daghe, sonder yemandts weten.

zondag 22 november 2015

Auratische variabelen: het Iljaeffect

Over de VSB-prijs (2)

door Gert de Jager

De andere Ilja: een mediapersoonlijkheid die, met alpinopet en al, zo voldoet aan het cliché van een Franse wijnboer dat ook hij een personage van Marten Toonder had kunnen zijn. Waar Van 't Hof in zijn vrolijke filmpje naar verwijst is een heuse proefneming. Connaisseurs krijgen van Ilja wijn ingeschonken uit een gewone fles, een plastic fles en een fles waarvan het glas ruim een euro kost. De wijn uit de plastic fles wordt soms met een vertrokken gezicht uitgespuwd, die uit de luxe fles verzaligd opgedronken. Toch gaat het, u raadt het al, om dezelfde wijn.

Het zijn proefnemingen die vaker in de media opduiken en waarmee goedkope supermarkten willen scoren. Een beetje kinderachtig misschien wel: dat veel producten het vooral of ook van een aura moeten hebben, weten we allemaal. Perfecte imitaties, zelfs wanneer als het gaat om massaproducten als tassen of parfums, zijn minder waard omdat ze het aura van de authenticiteit missen. Als er één product is dat het moet hebben van auratische toeschrijvingen dan is het wel wijn. Het jargon van vinologen dient vast heel veel doelen, maar creëert op de eerste plaats een gemeenschap van kenners en autoriteit.

Wat kennen kenners?

Neder-L-cartoon #85

De Taalprof sluit aan bij de belevingswereld van de leerlingen

de zon is mosterd

Door Marc van Oostendorp

In mijn zondagochtendminicollege van deze week bespreek ik de regel de zon is mosterd in het gedicht op het gors van Lucebert, en wat H.U. Jessurun d'Oliveira erover te zeggen heeft in zijn nieuwe boek Luceberts zoekend oog.




  • Bestelinformatie over H.U. Jessurun d'Oliveira, Luceberts zoekend oog. Prometheus, 2015.
  • Het oorspronkelijke essay over op het gors is ook te vinden in de DBNL.




Helena van Constantinopel, hoofdstuk 12


Hoe Helena twee soonen baerde, ende hoe sy van d’oude coninginne verraden wert, dewelcke den coninck schreef datse gelegen was van twee jonge honden.
[12]
   
Na dat den tijt der natueren vervult was, soo baerde Helena twee schoone sonen. Dies de ruwaert seer blijde was ende seyde tot d’oude coninginne dat hy dat den coninck schrijven soude. Ende h[e]eft eenen bode gh[e]sonden met eenen brief. Maer d’oude coninginne heeft de bode te Doeveren ghewacht, want hy daer voorby moeste passeren.
     Ende als de bode daer quam, soo w[e]rdt hy tot d’oude coninginne ghebracht, die hem goede cier aen dede, daer hy soo veel dronck dat hy in slape viel. Doen nam d’oude coninginne de busse mette brieven ende nam daer uyt den brief die de ruwaert aenden coninck sont, daer in stont dat Helena ghelegen was van twee schoone sonen. Welcken brief sy verbrandt heeft ende schreef eenen anderen, als dat Helena misvallen was van twee vre[e]sselijcke honden, hem ontbiedende dat hy schrijven soude terstondt oftmense dooden soude oft niet. Ende heeft den brief besegelt met des conincks geconterfeyten zeghel ende heeftse doen den bode in sijn busse ghesteken buyten sijnen weten.
     Ende als de bode ontweckte, is hy nae Romen gereyst. Ende d’oude verradersse heeft de passagie doen wachten ofter yemant nae Romen reysde oft van daer quame, seggende dat haer altijt verlanghde tijdinghe te hooren van haren sone.

zaterdag 21 november 2015

Neder-L-cartoon #84

De Taalprof was op de 9e Dag van de Nederlandse Zinsbouw

Boekvoorstelling en concert: Het Gruuthusehandschrift - Literatuur, devotie en muziek rond 1400, 3 december 2015

Het Gruuthusehandschrift blijft een bron van inspiratie voor liefhebbers van Middelnederlandse literatuur en middeleeuwse muziek en cultuur. Een nieuwe bundel met 15 prikkelende essays verzamelt de meest recente inzichten over dit voortreffelijke handschrift.

De KANTL stelt deze nieuwe bundel over een van de 51 werken uit de literaire canon op 3 december 2015 aan u voor.

Twee specialisten ter zake leggen uit waarom ze telkens weer naar het Gruuthusehandschrift teruggrijpen. Daarna trakteren we u op een concert met muziek uit het handschrift.
Programma
  • Frank Willaert (ondervoorzitter van de KANTL) licht namens de redacteurs de publicatie toe
  • Herman Brinkman (Huygens ING) licht als editeur van het Gruuthusehandschrift het belang van het handschrift en de nieuwe editie toe
  • Concert van Ultreya en Pandora² met liederen uit het Gruuthusehandschrift
Datum: donderdag 3 december vanaf 20 u.
Locatie: KANTL - Koningstraat 18 - 9000 Gent

De toegang is gratis maar uw aanwezigheid vooraf even aanmelden is wel gewenst.
Dat kan door naar het secretariaat van de KANTL te mailen of te bellen (09/265.93.40).

Tijdens de receptie is er ook gelegenheid tot aankopen van het boek tegen de introductieprijs van € 25. Daarna bedraagt de verkoopprijs € 29.

Aan de boekenstand kan u naast de nieuwe Gruuthuse-bundel ook andere publicaties over het Gruuthuse handschrift kopen.

Het Gruuthusehandschrift. Literatuur, muziek, devotie rond 1400, onder redactie van Frank Willaert, Jos Koldeweij & Johan Oosterman. Gent, KANTL, 2015. 320 p. ISBN 9789072474957 kan besteld worden bij het secretariaat van de KANTL, of bij de boekhandel.

Mijntaal

Door Leonie Cornips

In het Jaar van de Mijnen is tot nu toe weinig aandacht besteed aan hoe de Oostelijke Mijnstreek talig veranderde door de vele mijnwerkers van elders. Een journalist van het socialistisch Dagblad Het Volk noteert in 1917 over Heerlen: ‘De huizen, de menschen, heel de sfeer doet on-Hollandsch aan… Allerlei vreemde typen loopen er rond en men hoort een mengelmoes van talen en dialecten om zich heen’. Die talen zijn naast Duits zeker Pools, Sloveens en Italiaans omdat deze nieuwkomers hun eigen scholen stichtten. De onderwijzeres Maria Azman onderwees in 1929 het Sloveens aan 329 kinderen in elf verschillende plaatsen in de Mijnstreek. Op de Poolse school, opgericht in 1929, gebruikten Poolse onderwijzers Pools in alle vakken en de lessen in het Italiaans op de Italiaanse school (vanaf 1932) waren volledig op Italië gericht. De bevolkingssamenstelling van Heerlen laat in 1930 dan ook relatief veel Polen en Slovenen zien: Nederlanders (36.563), Duitsers (6.253), Polen (1.209), Slovenen (789) en Italianen (226).

Hoe de mijnwerkers in de voormalige Oostelijke Mijnstreek ondergronds spraken, is wat giswerk.

Meer dan ghij sijt gewoon

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (47)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Metriek betekent, zou je zeggen, regelmaat. In een metrisch gedicht wisselen beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen elkaar regelmatig af. Fans van dit weblog – ze bestaan! althans, ze zullen ooit bestaan (over honderd jaar, als niemand het controleren kan) – weten dat ik een vreemde obsessie heb; namelijk dat die regelmaat bij de meeste dichters helemaal niet zo absoluut is, en dat er soms beklemtoonde naast andere beklemtoonde staan, of andersom.

Die onregelmatigheden kun je op allerlei manieren bestuderen. Ze kunnen bijvoorbeeld iets zeggen over de inhoud: zo'n vormelijke onregelmaat kan corresponderen met een gevoel van grote innerlijke onrust, of een storm op zee verbeelden, of een hartklopping.

Maar in sommige opzichten zijn de onregelmatigheden ook pure vorm.

Helena van Constantinopel, hoofdstuk 11


Hoe d’oude coninginne Helenaes zegel stal ende deden na conterfeyten.
[11]
   
Als coninc Hendric gereyst was, soo quam d’oude coninginne, sijn moeder, dickwils int hof om Helena te besoecken, wantse groot ginck van kinde. Soo gevielt op een tijt dat d’oude coninginne by Helena gheseten was ende leyde Helenen hooft in haren schoot, soo dat Helena in slape viel, ende doe nam d’oude tram[a]ss[e]le Helenen zeghel uyt haer borse. Ende als Helena ontwaeckte, namse aen haer oorlof ende dede een goutsmit halen, die den zegel conterfeyte, daer niemant af en wiste dan sy ende den goutsmit. Den welcken, als den zegel volmaeckt was, sy selve doot stack ende wierpen int water door een venster. Ende doen is sy terstont weder ghekomen ende heeften Helena in haer borse ghesteken, sonder haer weten.
   
*     *
*


Hoofdstuk 11 in een synoptische, tweetalige (Nederlands-Frans) editie, met daarin verwerkt de versie in De vrouwen-peerle en de druk van Jean Trepperel, Paris ca. 1510.

Een woord dat u niet kent, kunt u opzoeken in het on-line Woordenboek der Nederlandsche Taal

vrijdag 20 november 2015

21-22 January 2016: Effects of Prescriptivism in Language History

On 21 and 22 January LUCL organises a workshop on the Effects of Prescriptivism in Language History.

About the workshop

Language norms and prescriptivism play an important role in many histories of European languages. Standardization is often the central topic in chapters about the post-medieval period. But what were the effects of norms and prescriptions on variation and change in actual language use? With the advent of historical sociolinguistics and the compilation of large corpora of usage data we can reassess the importance of norms and prescriptions, and gain a deeper understanding of their relation to usage patterns.


Armand (1946-2015)

Door Bart FM Droog

De NOS bericht dat popzanger Armand gisteravond, donderdag 19 november 2015, in een ziekenhuis te Eindhoven overleden is. Hij was al geruime tijd ziek. Armand is 69 jaar geworden.

Armand  maakte eind jaren zestig van de vorige eeuw furore als Nederlandstalig protestzanger, tekstschrijver en componist van liedjes als 'Ben ik te min' en 'Wat het klootjesvolk wil weten'. Later was hij vooral bekend als pleitbezorger voor de legalisatie van softdrugs.


Oproep: bezuinigingen neerlandistiek

Door Anne Dykstra

De onrust rond de in het voorjaar van 2015 door de Taalunie aangekondigde drastische bezuinigingsmaatregelen op o.a. het extra muros-onderwijs zal jullie vast niet zijn ontgaan. De protesten die daarna opkwamen hebben ertoe geleid dat de maatregelen worden heroverwogen, wat niet per se betekent dat ze (volledig) worden ingetrokken.
De herschikkingen binnen de neerlandistiek raken onder meer het onderwijs en de lexicografie, en daarmee de Nederlandse taal zelf. Het Nederlands verdient een goede infrastructuur om bestudeerd te worden, om vastgelegd te worden en om te onderwijzen. Goed onderwijs in en van het Nederlands kan tegelijk niet zonder de bestudering en beschrijving van de taal.

Vondels eerste toneelstuk: de tragicomedie Pascha

Door Ton Harmsen

Vondel staat sinds de promotie van Marrigje Paijmans geboekstaafd als parrhesiast, vertolker van de waarheid. Hij zou liegen als hij dat zelf tegen zou spreken. Van meet af aan zoekt hij de grenzen van de dichterlijke vrijheid. De verhouding tussen waarheid en fictie is voor hem een gevoelig punt, en hij heeft er geen naieve gedachte over: “Want waerheyd (dat’s al oud) vind nergens heyl nocht heul”, vers 62 uit de Roskam, is een verzuchting uit de grond van zijn hart.

Vondel wil twee dingen: een goed verhaal en de waarheid. Als hij in 1612 zijn eerste tragedie – om precies te zijn een tragicomedie – schrijft, is het nut van het toneel het grote onderwerp van zijn voorwoord. Hij citeert “de spreucke Horatij t’proffijt met ghenoechten leeren” – daarmee doelt hij niet op het bekende ‘nut en vermaak’ uit de Ars poetica, maar op het nut van spelen bij het leren. Horatius zegt dit in de eerste satire, Qui fit Maecenas. Dit is dezelfde satire die Vondel citeert in het eerste vers van zijn Roskam: Hoe koomt, doorluchte Drost. Voor Vondel is het allemaal méér dan een spel; hij doelt op de hele functie van het Oude Testament. De rituelen van de joden, die Erasmus een doorn in het oog waren, ziet hij als een prefiguratie:

Een emoji als woord van het jaar

Door Lucas Seuren
Tijdens het Onze Taal-congres  van begin november werd sjoemelsoftware gekozen tot woord van het jaar. Een opmerkelijke keuze, aangezien pas in september het woord zijn weg vond naar ons taalgebruik, maar het is tenminste nog een woord in de traditionele zin van het woord. Het prestigieuze Oxford Dictionary, uitgegeven door Oxford University Press, koos aan de andere kant voor een emoji (of smiley zoals ze wel eens genoemd worden), om precies te zijn de “huilen van het lachen”-emoji of “tears of joy”-emoji .

De keuze viel volgens de redactie op deze emoji, om een aantal redenen. Een daarvan is dat emoji’s de laatste jaren zijn uitgegroeid tot een onlosmakelijk deel van onze digitale communicatie. Dat is niet zo gek. Het is erg lastig om de toon van een boodschap weer te geven in tekst alleen; emoji’s geven er een gezichtsuitdrukking bij, zodat de lezer weet hoe de boodschap geïnterpreteerd moet worden. Daarnaast laten ze ons sneller communiceren. Zoals ook mooi werd beschreven in een artikel van The Guardian kunnen we vrij subtiele betekenissen uitdrukken met emoji’s die we misschien met tekst amper of zelfs niet kunnen overdragen. En bovendien is zeggen dat je lacht toch minder krachtig dan laten zien dat je lacht.

Handhaaf het Nederlands als voertaal

Door Lotte Jensen
Dit artikel verscheen vandaag in het Nijmeegse Vox Magazine 16 (2015), 36-37

Vanaf komend jaar gaan er op de campus zes nieuwe bacheloropleidingen in het Engels van start. Daarmee komt het totaal op acht. Het nieuws prijkte afgelopen weken prominent op www.ru.nl, in aanloop naar de open dag voor scholieren. De hoop is dat deze Engelstalige opleidingen nog meer studenten naar Nijmegen zullen trekken. 

Goed nieuws op het eerste gezicht, maar is dat wel zo? Het gaat in de helft van de gevallen om Engelstalige tracks naast de bestaande opleidingen (Arts and Culture Studies, International Business Communication en Psychology), maar in drie gevallen komt de Nederlandstalige opleiding helemaal te vervallen (Artificial Intelligence, Chemistry en Molecular Life Sciences). Als dit een eerste stap is richting een algehele verengelsing van deze universiteit, sta ik uitermate kritisch tegenover deze ontwikkeling.

Beroepsuitoefening

Laat ik voorop stellen dat ik niet tegen het gebruik van Engels in het universitaire onderwijs ben – integendeel – maar ik vind wel dat het spaarzaam én doordacht moet gebeuren. Sterker nog: in veel gevallen is het veel beter om het Nederlands als voertaal te handhaven, bijvoorbeeld in de rechten, psychologie, geneeskunde, wijsbegeerte en letteren. 

Teleurstellende biografie zonder grip

Door Marc van Oostendorp


Andreas Burnier was waarschijnlijk een van de slimste Nederlanders van de vorige eeuw: scherp, geestig en zeer geleerd.  Voor mij was ze – toegegeven – een van de eerste literaire auteurs die ik ontdekte: Het jongensuur stond in de schoolbibliotheek. Maar ook als ik het nu herlees zie ik de gloed van dat boek.

Het kan niet makkelijk zijn om van zo iemand een biografie te schrijven; je moet toch wel een beetje in de buurt komen van haar intelligentie. Probeer maar eens grip te krijgen op een geest die zo ver uitwaaiert, van wiskunde via een heel positivistisch beeld van de criminologie tot en met de antroposofie en het tibetaans boeddhisme. Ik vind dat het Elizabeth Lockhorn niet gelukt is.

Om Burnier – die geboren was en professor werd onder de naam C.I. (Ronnie) Dessaur – te begrijpen, zou je minstens grip moeten zien te krijgen op haar wetenschappelijke loopbaan, haar literaire werk en haar persoonlijke leven. Maar alle drie ontsnappen ze, in mijn ogen, de biograaf.

Helena van Constantinopel, hoofdstuk 10


Hoe de paus brieven sont aen de kersten princen ende aen coninck Henrick van Engelant om bystant.
[10]
   
Op een tijt is ghekomen de coninck Butor van Armenien met grooter heyr kracht ende heeft beleyt de stadt van Romen. Als de paus sach dat hy soo seer overlast was, soo sont hy boden aen allen kersten princen om bystant, ende oock schreef hy sonderlinghe aen coninck Henrick van Engelant. Ende als hy de brieven ontfangen hadde, so bereyde hy hem met grooter heyrkracht ende maeckte den hertoge van Clocestre ruwaert van Engelant. Ende de coninck dede maken drie gelijcke silveren zegels. Eenen behielt hy selve, den anderen gaf hy Helena, den derden sijnen ruwaert, den hertoghe van Clocestre, hem bevelende alle sijn goedt ende landen, want hy den hertoghe betroude boven alle sijn ander heeren. Ende heeft so ten lesten hem bereyt ende oorlof genomen aen Helena ende aen den hertoghe ende aen sijn heeren, hun biddende dat sy sijn lant ende volck getrou wilden zijn, ende is doen vertrocken.
   
*     *
*


Hoofdstuk 10 in een synoptische, tweetalige (Nederlands-Frans) editie, met daarin verwerkt de versie in De vrouwen-peerle en de druk van Jean Trepperel, Paris ca. 1510.

Een woord dat u niet kent, kunt u opzoeken in het on-line Woordenboek der Nederlandsche Taal

donderdag 19 november 2015

Etymologie: wetering en wateren

Door Michiel de Vaan 

wetering zn. ‘waterloop’

Oudnederlands wetteringa ‘afwatering’ (Utrecht, 1155; woord gebruikt door de inwoners van Polsbroek tussen Utrecht en Gouda), weteringe (Utrecht, 1159). Vroegmiddelnederlands weteringhe ‘afwateringssloot’ (1289, Haastrecht, Utrecht), utweteringhe ‘afwatering’ (1289, Dordrecht); daarnaast met -a-: watheringhe ‘gemeenschappelijke sloot’ (1266, Zuid-Holland), watringhe (1279), wateringhe, waterringhe (1282) ‘wetering; door afwateringssloten omsloten polder’ in West-Vlaanderen. De plaatsnaam Wateringen in Zuid-Holland kent beide varianten: meestal wateringhe (1282), eenmaal weteringhe en weterringhe. In de daarop volgende eeuwen tot minimaal 1600 geldt dat watering(e) in Vlaamse en de meeste Hollandse bronnen voorkomt, terwijl vanaf zuidoostelijk Zuid-Holland naar het oosten toe meestal wetering(e) staat. In de Vroegnieuwnederlandse schrijftaal komen wetering en watering beide voor, bijvoorbeeld ook binnen Amsterdam. In de loop der tijd wordt wetering de ongemarkeerde vorm, althans in het Noord-Nederlands. Koenens woordenboek uit 1905 kent alleen nog wetering, en in 1931 geven de uitgevers van Vondels werken bij diens toch doorzichtige wateringe de verklarende noot “wetering”. Mogelijk is watering(e) onder andere daarom verdrongen omdat het meerdere betekenissen had, ook ‘water geven, drenken’ (zo bijv. in de Statenbijbel), ‘plassen’ en ‘glans, schittering’ van edelstenen (zo nog bij Couperus), terwijl wetering een dergelijke meerduidigheid niet kende.

Meer dan de helft van de streektaalartiesten komt uit Limburg

In 1996 kregen de eerste 100 Nederlandse dialectartiesten een plaats op de website ‘Streektaalmuziek inNederland’. In de loop der jaren volgden steeds meer artiesten. Het aantal nadert langzamerhand de 7000.

Ondertussen ontdekten steeds meer geïnteresseerden deze website. Op 1 januari 2009 werd een teller ingebouwd die het aantal raadplegingen registreerde. Op 14 november j.l. passeerde deze teller de 2.500.000. Dat betekent gemiddeld bijna 1000 hits per dag.

In dezelfde week werd een volgende mijlpaal bereikt: Het aantal Limburgse artiesten passeerde de 50%-grens. De verwachting is dat dit percentage de komende tijd alleen nog maar zal toenemen.

De website ‘Streektaalmuziek in Nederland’ vermeldt artiesten die actief zijn of waren vanaf het midden van de twintigste eeuw tot nu. De registratie betreft artiesten die in het openbaar streektaalzang ten gehore brengen. Een overzicht van het aantal artiesten per provincie wordt voortdurend bijgehouden, ook in grafische vorm.

Smurfentaal

Door Marc van Oostendorp


Ik herinner me smurfentaal. Aan het eind van de jaren negentig kwam er ineens aandacht – in eerste instantie in Het Parool – voor het feit dat jongeren, vooral jongeren uit etnische minderheidsgroepen, een eigen taalgebruik hadden ontwikkeld. De journalist gebruikte daar die term smurfentaal voor omdat hij dacht dat het om een vereenvoudigd soort taalgebruik ging; dat die jongeren zich maar een beetje onbeholpen uitdrukten.

De Amsterdamse taalkundige en schrijver René Appel raakte als een van de eerste geïnteresseerd in het fenomeen. De naam smurfentaal was wel erg denigrerend en daarom stelde hij een andere term voor: straattaal, ook omdat sommige jongeren dat zelf gebruikten. Die term is sindsdien, in ieder geval in de vakliteratuur, blijven hangen.

In een onlangs verschenen artikel bespreken Leonie Cornips, Jürgen Jaspers en Vincent de Rooij de geschiedenis van de term sindsdien. Ze laten zien hoe het woord, ondanks Appels goede bedoelingen, in de loop van de tijd vooral in de populaire pers een aantal negatieve connotaties krijgt. Ook wijzen ze op het opvallende feit dat in Vlaanderen niet alleen de term straattaal niet bestaat, maar dat er eigenlijk geen equivalente term is om de verschijnselen die in Nederland zo genoemd worden, te beschrijven.

Helena van Constantinopel, hoofdstuk 9


Hoe de coninck van Engelant de schoone Helena troude.
[9]
   
Doen Helena een wijle tijdts in des conincx hof ghewoont hadde, soo aenmerckte hy haer deugdelijcke manieren ende is op een tijt met haer gaen spaceren ende hy begonste haer te vraghen van wat lande sy was ende van wat afkomst. Doen vielse op haer knien ende seyde: “Heere, en vergramt u niet, want ick en noeme mijn gheslachte niet, maer teghen den wille mijns vaders ben ick uyt mijn landt gevloden, want hy my fortselijck wilde trouwen, ende ben aldus avontuerlijck gekomen in u landt.”
     Ende de coninck dacht dattet een edel maecht moeste zijn om der gulden kleederen wille die sy aen hadde, ende hy hiefse vander aerden ende seyde: “Jonckvrouwe, ghy waert weerdich te zijn een coninginne. Daerom belove ick u te trouwen ende sal u maken coninginne van Enghelant!”
     Helena viel doen weder op haer knien ende seyde: “Heer coninck, by uwer gratien, het waer onwijsheyt dat ghy my trouwen sout, die niet en weet wie ick ben oft van wat lant, ende en heb anders geen goet dan de kleederen die ick aen hebbe ...”
     Doen namse de coninck metter hant ende seyde: “Mijn uytverkoren vrouwe, ick hebbe goets genoech voor ons beyden.”